Harm Kloosterhuis en Carel Smith

De rechtsspreuk ‘geef mij de feiten, dan geef ik u het recht’ (da mihi factum, dabo tibi ius) verwoordt een belangrijk beginsel van het burgerlijk procesrecht. Het is aan de procespartijen om de feiten van een zaak naar voren te brengen en het is aan de rechter om het recht toe te passen op die feiten. Zoals veel juridische inzichten, gaat het onderscheid tussen feit en recht terug tot het werk van Aristoteles. Over de verhouding tussen procespartijen – rechter – wetgever schrijft Aristoteles in zijn Retorica:

‘Again, a litigant has clearly nothing to do but to show that the alleged fact is so or is not so, that it has or has not happened. As to whether a thing is important or unimportant, just or unjust, the judge must surely refuse to take his instructions from the litigants: he must decide for himself all such points as the law-giver has not already defined for him.’

Wat is de achtergrond van deze taakverdeling tussen procespartijen en rechter? Het antwoord op die vraag vinden we in de uitgangspunten van het civiele procesrecht. Volgens de traditionele en wat gedateerde leer houden die uitgangspunten in dat gelijkwaardige burgers hun geschillen over particuliere belangen voorleggen aan de rechter.1 De burgers bepalen de omvang van het geschil en dragen de bewijslast voor de feitelijke gronden. De rechter past vervolgens het recht toe. Dat recht behoeven de partijen niet uit te leggen, want ‘de rechter kent het recht’ (iura novit curia).  

Prachtig, die verdeling tussen feitelijke gronden en rechtsgronden. In theorie dan. Want in de praktijk is het vaak lastig om de grens tussen feit en recht te bepalen. Waarom? Over het antwoord op die vraag is heel veel ingewikkelde jurisprudentie en literatuur beschikbaar, maar in de kern komt het op het volgende neer: het volgt uit de aard van ‘rechtsgronden’ die de rechter tot uitgangspunt moet nemen voor de beslissing. Die rechtsgronden zijn algemene regels waarin aan bepaalde feiten die als voorwaarden gelden, bepaalde rechtsgevolgen worden verbonden. Neem artikel 6:162 lid 1 BW van de actie uit onrechtmatige daad:

Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

Laten we ons concentreren op één van de voorwaarden uit deze norm: het causale verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade, dat tot uitdrukking komt in het woordje ‘dientengevolge’. Wanneer is een discussie daarover nu een discussie over de feiten en wanneer over het recht?  Een interessant voorbeeld van zo’n discussie levert het Renteneurose-arrest.2 Tijdens de jaarlijkse carnavalsoptocht in Oranjestad op Aruba slaat politieagent Gibbs met een wapenstok Henderson op zijn hoofd.  Daardoor krijgt Henderson lichamelijke klachten zoals hoofdpijn en geheugenverlies. Als gevolg van zijn persoonlijkheidsstructuur (predispositie) blijft Henderson om schadevergoeding vragen. Hij ontwikkelt een zogeheten renteneurose, een neurotische drang tot het vragen om schadevergoeding.

Het probleem was nu of niet alleen de hoofdpijn en het geheugenverlies, maar ook de renteneurose te beschouwen was als een gevolg van de klap met de wapenstok. Die vraag kun je beschouwen als een feitelijke vraag, uitgaande van een duidelijk concept van causaliteit. Maar je kunt die vraag ook als een rechtsvraag beschouwen: hoe moeten we het concept causaliteit uitleggen? Dit laatste is precies wat de Advocaat-Generaal voorstelt in de conclusie om de vraag toetsbaar te maken in cassatie. De Hoge Raad oordeelt immers slechts over rechtsvragen. De Hoge Raad oordeelt met de volgende overweging:

‘Bij een onrechtmatige daad die bestaat in het toebrengen van letsel zullen de gevolgen van een door de persoonlijke predispositie van het slachtoffer bepaalde reactie op die daad in het algemeen als een gevolg van de onrechtmatige daad aan de dader moeten worden toegerekend […] ’

Wat gebeurt hier? De Hoge Raad geeft in deze overweging een nadere invulling van het begrip causaliteit. Niet alleen de rechtstreekse gevolgen van de onrechtmatige daad (hoofdpijn, geheugenverlies) kunnen de dader worden toegerekend, maar ook de gevolgen die die daad bij het slachtoffer teweeggebracht hebben vanwege de persoonlijke predispositie van het slachtoffer.

Het uitgangspunt dat de rechter het recht toepast op feiten, gaat uit van een scherpe grens tussen recht en feit terwijl die in de praktijk vaak niet zo makkelijk te trekken is. Het is vaak zo dat regels en feiten op elkaar worden afgestemd. De regel krijgt een nieuwe invulling in het licht van nieuwe feiten, bijvoorbeeld doordat de wetgever die feiten niet had voorzien. Ook dat inzicht vinden we al verwoord in het bovenstaande citaat van Aristoteles: als de wetgever een geval niet heeft voorzien, moet de rechter het recht geven.

 

 

 1 Dat deze traditionele leer achterhaald is, is recent helder uiteengezet door Ruth de Bock in haar Ars Aequi column ‘Verlos de rechter uit haar lijdelijkheid’: https://weblogs.arsaequi.nl/columns/2020/12/09/verlos-de-rechter-uit-haar-lijdelijkheid/. 2 The Complete Works of Aristotle ed. By Jonathan Barnes. Princeton: Princeton University Press, 1995. Vol. 2, p. 2152. 3 ECLI:NL:HR:1985:AG4961.