Sinds 1994 kent het Nederlandse recht de mogelijkheid van een collectieve actie (art. 3:305a BW). Een stichting of vereniging kan een rechtsvordering instellen die strekt ter bescherming van de belangen van andere personen. De actie mag echter niet bestaan uit een in geld uit te betalen schadevergoedingsvordering (lid 3). Vooralsnog worden daarom voornamelijk verklaringen voor recht gevorderd, op basis waarvan vervolgens individueel kan worden doorgeprocedeerd of een collectieve schikking onder de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) kan worden beproefd. Een dergelijke schikking kan wél een geldelijke schadevergoeding betreffen, maar biedt slechts uitkomst indien laedens en belangenbehartiger tot een akkoord kunnen komen.

Met het Wetsvoorstel afwikkeling massaschade in een collectieve actie (34608) wordt het collectieve actierecht danig gewijzigd. Het wetsvoorstel beoogt een collectieve vordering tot schadevergoeding in geld mogelijk te maken, maar introduceert tevens een geheel nieuwe procedure die van toepassing is op alle collectieve acties. Over deze nieuwe procedure luidden advocaten onlangs in het Financieele Dagblad (28 november 2016) de noodklok. De nieuwe wet ‘zet de deur open voor wereldwijde collectieve rechtszaken tegen Nederlandse bedrijven’.

Steen des aanstoots is lid 3 van het nieuw voorgestelde artikel 3:305a BW. Een belangenorganisatie is ontvankelijk als de rechtsvordering een ‘voldoende nauwe band’ met de Nederlandse rechtssfeer heeft. Dit is onder meer het geval als (i) aannemelijk wordt gemaakt dat het merendeel van de gedupeerden zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft of (ii) de aangeklaagde onderneming zijn woonplaats (bij rechtspersonen: plaats van de statutaire zetel, art. 1:10 BW) in Nederland heeft. Tegen dit tweede aanknopingspunt richt zich de kritiek: gedupeerden van over de hele wereld kunnen zich aansluiten in een Nederlandse collectieve actie, zolang de aangeklaagde maar een Nederlandse rechtspersoon is. Daarmee vaart het wetsvoorstel een liberale koers in vergelijking met sommige landen om ons heen, die de toegang tot hun collectieve acties beperken tot hun eigen burgers (bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, België en Frankrijk). De minister verdedigt deze keuze door te stellen dat het instellen van een vordering in Nederland tegen een Nederlandse verweerder ook zonder het bestaan van een collectieve actie voor de hand zou hebben gelegen.

Schildert de minister hier een schietschijf op de Nederlandse onderneming? De buitenlandse gedupeerde ziet de drempel om zijn schade te verhalen allicht verlaagd als hij niet op een individuele procedure tegenover een vreemde rechter is aangewezen. Buitenlandse claimbezitters kunnen bovendien een interessante markt vormen voor commerciële classactionventers, die ook in Nederland aan een bescheiden opmars zijn begonnen (zie Ilja Tillema, ‘Commerciële motieven in privaatrechtelijke collectieve acties: olie op het vuur van de claimcultuur?’, AA 2016, p. 337 (AA20160337)).

Wellicht wordt de soep niet zo heet gegeten. Inderdaad hadden gedupeerden al de mogelijkheid een individuele procedure tegen de Nederlandse onderneming te starten. Bovendien bevat het wetsvoorstel aanvullende waarborgen. De belangenorganisatie is slechts ontvankelijk als haar bestuurders geen winstoogmerk hebben (lid 3 sub a), als zij beschikt over voldoende ervaring en deskundigheid ten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering (lid 1 sub e) en een toezichthoudend orgaan of toezichthoudende bestuurders heeft (lid 2 sub a). Indien een collec­tieve vordering de rechter aanstonds ondeugdelijk voorkomt, zal hij niet tot een inhoudelijke behandeling overgaan (art. 1018c lid 5 sub c Rv (nieuw)).

Bovendien kan de voorgestelde collectieve procedure juist grote voordelen brengen voor een Nederlandse onder­neming die is verwikkeld in een wereldwijde massaschadezaak. De uitkomst van die procedure is immers voor alle gedupeerden bindend, behoudens gebruik van de opt-outmogelijkheid. Indien ze openstaat voor buitenlandse benadeelden, kan het aansprakelijke bedrijf met één procedure – een thuiswedstrijd bovendien – nagenoeg alle claims wereldwijd afwikkelen, althans voor zover de Nederlandse uitspraak in het buitenland wordt erkend. Binnen de EU is dat geregeld in artikel 36 Brussel I bis; daarbuiten hangt dat af van eventuele verdragen dan wel van het recht van het desbetreffende land. De vergaande mate van finaliteit is ook de reden waarom de WCAM, die reeds een dergelijk systeem hanteert, verschillende buitenlandse massaschadezaken naar Nederland heeft weten te lokken. De Shell-, Converium– en Vedior-schikkingen hebben gemeen dat verreweg de meeste van de benadeelden op wie ze van toepassing zijn, zich buiten Nederland bevinden.

Wie zijn deur openzet, kan bezoek verwachten. Maar ook zonder die open deur zullen buitenlandse claimanten de Nederlandse laedens vermoedelijk wel weten te vinden. De collectieve procedure biedt dan belangrijke voordelen, die de pijn wat kunnen verzachten. Per saldo is de ruime toegankelijkheid misschien niet zo’n slechte zaak.

0417_omslagproduct

 

 

Dit redactioneel van Olivier Oost & Pim Wissink is verschenen in Ars Aequi april 2017.