VVD’er De Liefde stapte in 2016 over naar Uber en D66’er Hachchi vertrok met de noorderzon om zich te storten op de Amerikaanse presidentscampagne. Zij zijn twee van de meer dan twintig Kamerleden die vroegtijdig zijn opgestapt sinds de huidige Tweede Kamer zitting nam in september 2012. Niet alleen was er kritiek vanwege potentiële belangenverstrengeling van de voormalig Kamerleden; het opstappen an sich werd ook sterk bekritiseerd. Kamerleden stellen zich immers verkiesbaar voor een termijn van vier jaren (art. 52 lid 1 Gw) en worden verkozen om die termijn ook uit te zitten.

Met de naderende Tweede Kamerverkiezingen is deze discussie onverminderd actueel. De personen die zich verkiesbaar hebben gesteld voor de Tweede Kamer kunnen immers nu nog bij zichzelf te rade gaan: kan en ga ik die termijn van vier jaren uitzitten? En mochten zij dat niet uit zichzelf doen, dan moet hen misschien wel voorgeschreven worden dat de termijn uitgezeten moet worden.

De Kamerleden worden verkozen door het Nederlandse volk, dat zijn vertrouwen in hen stelt het land goed te leiden. Dit geldt met name voor Kamerleden die met voorkeursstemmen zijn verkozen. Onze staatsinrichting heeft als uitgangspunt dat dit vertrouwen in beginsel de gehele termijn van vier jaren aanhoudt. Een vroegtijdig vertrek uit de Kamer schaadt dit vertrouwen. Het is dan ook logisch dat de media bij het vertrek van Hachchi zelfs spraken van ‘kiezersbedrog’ (NRC 26 januari 2016). Tevens plaatsen vroegtijdige Kamerverlaters de politiek in een slecht daglicht. Dit is des te kwalijker, nu de politiek vandaag de dag steeds minder vertrouwen geniet. Een carrièregericht, vroegtijdig vertrek uit de Kamer is dan ook – rechtvaardigingsgronden uiteraard daargelaten – een egocentrische zet waarvan kiezers de last dragen. De Kamerverlater slaat immers fluitend zijn zelfgekozen weg in, terwijl de stem van de kiezer in de wind wordt geslagen.

Daarnaast zijn er de kosten van het vertrek. Ook als Kamerleden besluiten vroegtijdig op te stappen, behouden zij hun recht op wachtgeld gedurende maximaal drie jaar en twee maanden (art. 52 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa)). Dit bedraagt het eerste jaar 80% van hun inkomen (€ 6164,10 per maand), en vanaf het tweede jaar 70% (€ 5393,58 per maand; art. 53 Appa). Wel worden genoten inkomsten in mindering gebracht op het wachtgeld (art. 54 Appa).

Hoe de Kamerverlating aan te pakken? Primair is het van belang dat de personen die zich verkiesbaar willen stellen, moeten bedenken dat zij zich in principe committeren voor een termijn van vier jaren. In die vier jaren dienen zij het landsbelang, en is hun eigen carrièrebelang daaraan ondergeschikt. Dat is een opoffering waartoe zij bereid moeten zijn. Zo niet, dan doen zij er verstandig aan zich niet verkiesbaar te stellen.

De vraag rijst of de politiek zelf moet ingrijpen. Zo zou artikel X 2 Kieswet, dat nu nog bepaalt dat leden van vertegenwoordigende organen te allen tijde ontslag mogen nemen, kunnen worden aangepast zodat Kamerleden de zittingstermijn in beginsel moeten volmaken. Andere problemen doen zich dan echter weer voor: hoe bijvoorbeeld algemene gronden te bepalen die wel zwaarwegend genoeg zijn om het Kamerlidmaatschap neer te leggen? Naar ons weten is in omringende landen dan ook geen dergelijke regel te vinden.

Eenzelfde probleem dient zich mogelijk aan bij een herziening van de wachtgeldregeling: wie krijgt het wachtgeld wel, en wie niet? De huidige regeling blijft echter onnavolgbaar voor ‘gewone’ werknemers, die worden gekort op hun WW-uitkering indien zij zelf ontslag hebben genomen (art. 24 lid 1 en lid 2 sub b jo. art. 27 WW). Deze discrepantie kan onzes inziens niet geheel worden gerechtvaardigd door de ratio achter de wachtgeldregeling, namelijk dat deze ‘voorkomt dat een politieke ambtsdrager bij beslissingen rekening houdt met eventuele negatieve financiële consequenties, en daardoor geen zuiver oordeel meer zou kunnen vormen’ (woordvoerder van de minister van Binnenlandse Zaken in: ‘Bijna 15 miljoen euro aan wachtgeld uitgekeerd sinds 2012’, NU.nl 20 december 2015). Kamerverlaters zullen dan ook rechtvaardig om moeten springen met de wachtgeldregeling; bij een carrièregericht vertrek zullen zij in ieder geval van hun wachtgeld moeten afzien. Carrièrekansen rechtvaardigen een vertrek uit de Kamer noch een beroep op wachtgeld. Laten wij toekomstige Kamerleden in de aanloop naar de verkiezingen dan ook vooral meegeven: bezint eer gij begint.

1216_omslagproduct

 

 

Dit redactioneel van Pjotr Broere & Friso van de Pol is verschenen in Ars Aequi december 2016.