Meer dan dertig jaar geleden werd ik beëdigd tot advocaat te (toen nog) ’s-Gravenhage. Die beëdiging was een belangrijk moment in mijn prille loopbaan. Voortaan zou mijn naam prijken op het brief­papier van het uiterst deftige kantoor De Brauw & Westbroek, al was het ver onder die van de coryfeeën die al decennia de kolommen van de Nederlandse Jurisprudentie haalden. Bovendien ontving ik kort na mijn beëdiging van kantoorwege een visitekaartje. En dat visitekaartje was weer nodig om mijn opwachting te kunnen maken bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Een van de taken waarmee Haagse stagiaires destijds werden opgezadeld, was de wekelijkse rolzitting van de civiele kamer van de Hoge Raad. Die vond (en vindt) plaats op vrijdagochtend om 10.00 uur, in 1987 nog in het voor-vorige gebouw van de Hoge Raad aan het Plein. Wie voor het eerst de rol deed, kreeg de wenk ingefluisterd zijn of haar visitekaartje aan de bode te overhandigen en belet te vragen bij de dienstdoend rolraadsheer. De kennismaking met de rolraadsheer geschiedde vervolgens in het schemerduister tussen zware gordijnen, in een ruimte schuin achter de grote zittingszaal.

Ter voorbereiding van de wekelijkse rol werden stagiaires bij De Brauw uiterst secuur geïnstrueerd door chef-de-bureau Aad Couprie. Zijn standaardinstructies zijn later zelfs in brochurevorm verspreid onder de andere Haagse kantoren. Op de rol werd per zaak van ons kantoor in grote letters een L of een R geschreven, om te markeren of wij achter het linker- of het rechterkatheder moesten plaats­nemen, wat afhankelijk was van de positie als eiser of verweerder. Notoir lastig waren de zaken waarin wij tegelijk optraden voor ons eigen kantoor en – uit Brauwiaanse hoffelijkheid – als waarnemer voor een ander kantoor, want in het midden bevond zich geen katheder of tafeltje waarop wij vliegensvlug aantekeningen konden maken over de rolbeslissing in zo’n complexe zaak.

Alle voorbereiding ten spijt gebeurde er wel eens iets onverwachts op de rol. Kleine ramp: een onaangekondigde incidentele vordering! Gelukkig kon dat worden gepareerd door acht dagen voor beraad te verzoeken, wat door de rolraadsheer steeds minzaam werd ingewilligd. En met een beetje mazzel was de volgende week een kantoorgenoot aan de beurt.

Een van de aantrekkelijkste aspecten van de rol was de mogelijkheid om na afloop met de stagiaires van de andere Haagse kantoren eindeloos koffie te drinken ergens rond het Plein. In mijn herinnering moesten alleen de stagiaires van Buruma spoorslags terugkeren naar kantoor, doorgaans met het rolbericht voor hun iets te ijverige patroons dat ze weer van De Brauw of Pels hadden verloren.

Nu, ruim dertig jaar later, ben ik zelf een zittingsjaar rolraadsheer. De romantiek van weleer is vrijwel geheel verdwenen en vervangen door een uiterst efficiënte werkwijze. Proceshandelingen worden verricht door plaatsing van berichten en processtukken in het webportaal van de Hoge Raad. Alleen wanneer een belangstellende zich vrijdagochtend vervoegt bij de receptie, spoeden de advocaat-generaal van dienst, de griffier en ik ons in toga naar de kleine zittingszaal om tekst en uitleg te geven. Anders vindt de rolzitting plaats in mijn werkkamer en zijn wij binnen een kwartier door de zaken heen. Alle uitspraken worden dezelfde dag gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, waardoor de openbaarheid is gewaarborgd.

Toch blijft de rol gelukkig mensenwerk. Zo ontvang ik geregeld brieven waarin met klem wordt verzocht om uitstel. Onlangs was het verzoek gebaseerd op de moderne grond dat de betrokken cassatieadvocaat kort geleden vader was geworden. Ook wordt af en toe op hoge toon bezwaar gemaakt tegen de lengte van de stukken van de wederpartij, vooral door advocaten die zelf ook moeite hebben de delete-knop te hanteren. En recent werd ik geconfronteerd met een bizar drama: de mededeling van de advocaat van eiser dat haar cliënt was gestorven, leidde tot een reactie van de advocaat van verweerders dat zijn cliënten niet konden bevestigen dat hun vader respectievelijk schoonvader inderdaad was overleden.

Nooit saai eigenlijk, zo’n rolzitting.

Deze column is verschenen in Ars Aequi februari 2019.