BijlsmaBoekbespreking. Op 13 april jongstleden promoveerde Johannes Bijlsma cum laude op een onderzoek naar ontoerekenbaarheid. Wie van een met lof bekroond proefschrift een uitgebreid gelardeerd en met franje omlijst boek verwacht, komt bedrogen uit. In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. Bijlsma heeft opmerkelijk weinig zinnen nodig om tot de kern van de problematiek te komen en schrijft prettig en in een uitermate concieze en trefzekere stijl. Wie denkt dat komma’s nodig zijn om teksten een zekere vloeiendheid te geven en zinnen niet al te staccato te maken, doet er alleen al daarom goed aan het proefschrift van Bijlsma eens ter hand te nemen.

Het boek begint met een onderzoek naar de wijze waarop ontoerekenbaarheid thans in de juridische dogmatiek en de gedragskundige wetenschappen wordt geïnterpreteerd. De auteur concludeert dat geen duidelijk juridisch toetsingskader bestaat voor de beoordeling van ontoerekenbaarheid en dat door de inbreng van gedragskundigen ook geen eenheid in de materiële uitkomst wordt gegarandeerd. Onder gedragskundigen bestaat immers evenmin een duidelijke consensus over de inhoud van het begrip. Deze onduidelijkheid werkt door in rechterlijke uitspraken, omdat rechters vaak zonder eigen motivering plegen aan te sluiten bij het oordeel van de gedragskundige over de vraag of ontoerekenbaarheid aangewezen is.

Het proefschrift vervolgt met een rechtsvergelijkende studie naar verschillende criteria voor ontoerekenbaarheid die zijn ontwikkeld binnen Amerikaanse jurisdicties. Deze vergelijkende studie neemt geen geïsoleerde plaats in binnen het proefschrift omdat hier in het laatste deel regelmatig naar wordt terugverwezen. Dit laatste deel van het proefschrift betreft het pièce de résistance. Hierin bouwt Bijlsma aan een eigen toetsingskader voor de beoordeling van ontoerekenbaarheid. Zijn opbouw vindt systematisch plaats aan de hand van fictieve casus, waarin steeds misdrijven zijn begaan terwijl de dader onder invloed van een psychische stoornis verkeerde. Vervolgens beargumenteert hij of er in een geval als omschreven in de casus ontoerekenbaarheid op zijn plaats zou zijn. De systematiek die achter zijn argumentatie schuilgaat, is daarbij steeds dat wordt onderzocht of, als de waanvoorstellingen van de verdachte realiteit zouden zijn, de gedragingen verontschuldigbaar zouden zijn op grond van een voor ‘normale verdachten’ bestaande schulduitsluitingsgrond. Als voorbeeld van de wijze van argumenteren kan hier de casus dienen waarbij een verdachte die aan een achtervolgingswaan lijdt een moord pleegt. Het slachtoffer is een vermeende achtervolger waarvan de verdachte vreest dat hij hem binnenkort van het leven zal beroven. Om de achtervolger voor te zijn zoekt hij hem thuis op en berooft hem van het leven. Bijlsma concludeert dat het in dergelijke gevallen weliswaar aannemelijk is dat het misdrijf is ingegeven door de stoornis, maar dat niettemin geen strafuitsluiting kan volgen omdat, ware de beleving van de verdachte realiteit geweest, een beroep op de strafuitsluitingsgrond ‘noodweer’ niet zou worden gehonoreerd. Hiervoor moet immers sprake zijn van een ‘onmiddellijk dreigend gevaar’. Op deze manier ontstaat aan de hand van tien casus een mozaïek aan gevallen waarin volgens Bijlsma steeds wel of geen ontoerekenbaarheid aan de orde zou moeten komen. Hierop fundeert hij uiteindelijk zijn eigen toetsingskader.

Bijlsma’s toetsingskader gaat steeds uit van de tegenstelling tussen de ‘normale verdachte’ en de verdachte die lijdt aan een psychische stoornis. Bij de verdachte die lijdt aan een psychische stoornis wordt vervolgens het bestaan van zijn stoornis aangenomen en wordt ook geaccepteerd dat dit zijn handelingsrepertoire begrenst. Niettemin worden vervolgens de normatieve verwachtingen die het strafrecht aan ‘normale verdachten’ stelt, ook op de psychisch gestoorde verdachte geprojecteerd. Zo hoeft iemand die lijdt aan imperatieve hallucinaties waarin God hem de opdracht geeft iemand te vermoorden van Bijlsma niet op meer clementie te rekenen dan iemand die aan soortgelijke imperatieve hallucinaties leidt afkomstig van ‘stemmen’. Ook van de normale verdachte wordt immers verlangd dat hij de profane wetten laat prevaleren boven eventuele opdrachten van het goddelijke. Dat deze goddelijke opdracht in dit geval zijn oorsprong vond in een psychotische stoornis maakt dit voor hem niet anders.

Een eerste gevolg van het door Bijlsma verdedigde toetsingskader is dat bizarre wanen enigszins buiten de boot vallen. Het is immers moeilijk om een waan waarin aliens, ruimtewezens of andere met natuurwetten spottende verschijnselen voorkomen te benaderen vanuit het perspectief van een normale verdachte. Stoornissen zonder psychotische kenmerken, zoals in de eerste plaats persoonlijkheidsstoornissen, lijken in de benadering van Bijlsma gedoemd te zijn tot een plaats buiten het bereik van artikel 39.

Een laatste gevolg is dat het leerstuk van de ontoerekenbaarheid veel sterker dan nu het normatieve domein wordt binnengetrokken. Indien normale strafuitsluitende leerstukken in de overwegingen worden betrokken is een juridische benadering vereist. Een gedragskundige zal immers doorgaans geen kennis hebben van de criteria die gelden voor bijvoorbeeld psychische overmacht of noodweer. De huidige praktijk, waarin rechters zonder al te veel omhaal van woorden het gedragskundige oordeel over de toerekenbaarheid vertalen in een normatief oordeel, valt hier dan ook niet mee te verenigen. De rechter moet van Bijlsma zelf aan het werk. Uiteraard is het nu afwachten of de praktijkrechter de door Bijlsma toegeworpen handschoen zal oppakken en indien hij dit doet, hoe het in de praktijk zal functioneren: the proof of the pudding is in the eating.

J. Bijlsma
Stoornis en strafuitsluiting. Op zoek naar een toetsingskader voor ontoerekenbaarheid
Diss. Amsterdam VU, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers, 300 p., € 36,90