Carel Smith & Harm Kloosterhuis

Drie rechtenstudenten worden ’s avonds door de politie aangehouden en bekeurd: de eerste omdat zij naast de twee anderen fietst, de tweede omdat zij op haar fiets geen goed werkende bel heeft en de laatste omdat zij bij wijze van achterlicht een wit ledlampje aan haar capuchon heeft bevestigd. Hun verweer “Maar wij wisten helemaal niet dat wij in overtreding waren” faalt: ieder wordt geacht de wet te kennen.

Het is misschien wel het meest verreikende gebod van het recht. Het geldt immers niet alleen voor wetshandhavers, zoals rechters en politieagenten, maar ook voor iedere staatsburger. Met kennis van de wet wordt bovendien niet bedoeld kennis van de belangrijkste wettelijke regels, zoals de grondrechten en andere basisregels van het recht, maar kennis van alle regelgeving: van iedere bepaling uit het Burgerlijk wetboek, elke APV en elke Europese verordening. En dus worden de drie studenten geacht ook kennis te hebben van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Maar, kunnen de studenten tegenwerpen, er is toch niemand die kennis heeft van alle wetten? Dat klopt, maar die tegenwerping raakt het gebod niet. Het beginsel drukt niet het vermoeden uit dat iedereen bekend is met alle wetten, maar de norm dat niemand zich kan beroepen op zijn onwetendheid omtrent de wet. Aldus ook de Romeinse jurist Paulus: “Rechtsdwaling strekt iedere dwalende tot nadeel.” De ratio ervan wordt duidelijk als we ons een rechtsstelsel voorstellen waarin het beginsel niet zou gelden. Wie dan kan aantonen geen wetenschap te hebben gehad van de betreffende regel, kan op die manier dwingend recht omzeilen. Dat leidt niet alleen tot rechtsongelijkheid — wee de partij die wél wetskennis heeft — maar bevordert ook nog eens juridische onwetendheid. Wat is in zo’n rechtsstelsel nog het nut van wetgeving?

Als niemand kennis heeft van alle wetgeving in een land, maar het recht daar wel vanuit gaat, werkt het recht dan niet onder een fictie? Hier is de misvatting dat het zou gaan om iemands parate kennis van de wet. Want die is bij de meeste mensen heel beperkt — juristen inbegrepen. Wij moeten de jurist nog tegenkomen die in staat is om de eerste 23 artikelen van de Grondwet foutloos te declameren. Die artikelen beslaan maar drie pagina’s in de studenteneditie wetgeving, die op circa 5000 pagina’s een uiterst beperkte selectie Nederlandse wetgeving omvat.

Het gaat dan ook niet om onze parate kennis van de wet, maar om de mogelijkheid daarvan kennis te nemen. We raken hier het punt van de bekendmaking van wetgeving. Volgens de Amerikaanse rechtsfilosoof Lon Fuller vormt dit vereiste één van de acht beginselen waaraan ieder rechtsstelsel moet voldoen om van recht te kunnen spreken. Niet voor niets worden wetten al in de oudste rechtssystemen bekend gemaakt. Zo beitelde Mozes zijn wetten in steen en droeg hij de Levieten op om die iedere zeven jaar opnieuw bekend te maken. De Romeinen tekenden het gewoonterecht op in de Twaalf Tafelen die in het openbaar opgesteld stonden. Het belang van openbaarmaking en publicatie blijkt uit het tegenvoorbeeld van de tirannieke Romeinse keizer Calligula. Toen de bevolking protesteerde dat hij zijn wetten slechts door herauten liet omroepen zonder ze aan te plakken, liet hij de wetten in zulk klein schrift beitelen en hing die in zo’n nauwe ruimte op, dat niemand ze kon lezen.

Het voorbeeld van Calligula is extreem, maar er zijn moderne, subtielere varianten die het vereiste van openbaarmaking geweld aandoen. Wat te denken van een meertalig land waarin slechts aan wetten in één van die talen rechtskracht toekomt, zoals in België van de negentiende eeuw? Het Frans gold toen als de officiële taal van wetten en besluiten; aan vertalingen in het Vlaams en Duits kwam geen rechtskracht toe.

L’histoire se repète. Nederland is weliswaar niet tweetalig, maar er is misschien wel sprake van een inkomens- en vermogenskloof. Kan men geacht worden de wet te kennen als deze zo duister is dat een beroep op een juridisch specialist vereist is om de inhoud ervan te kennen, terwijl die hulp voor grote groepen burgers onbereikbaar is vanwege bezuinigingen op de rechtshulp?