Carel Smith & Harm Kloosterhuis

Hoe weet ik of mijn handelen — zoals een leugentje om bestwil, het kopen van aandelen van wapenfabrikant Lockheed Martin, zich aan bomen vastketenen ter voorkoming van de kap ervan — in moreel opzicht gerechtvaardigd is? De wet biedt in dit soort gevallen geen soelaas: leugentjes om bestwil en de wapenindustrie zijn niet bij wet verboden, terwijl wij bij burgerlijke ongehoorzaamheid juist welbewust in strijd met de wet of een overheidsbevel handelen. Ik zou natuurlijk de normen van een religie kunnen raadplegen, of die van een beroepsgroep. Maar als ik niet tot de kring van gelovigen behoor of geen deel uitmaak van de betreffende beroepsgroep, dan leggen die normen mij geen morele verplichting op.

Maar misschien hoeven wij niet een vooraf en door anderen opgestelde code te raadplegen en kunnen wij bij onszelf te rade gaan om te achterhalen of ons handelen moreel door de beugel kan. Dat is het standpunt van de Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804). ‘Verlichting,’ aldus Kant, ‘is het ontkomen van de mens aan de onmondigheid waaraan hij zelf schuldig is. Onmondigheid is het onvermogen om je van je verstand te bedienen zonder de leiding van een ander.’

Om vast te stellen of een bepaalde gedraging immoreel is, dien ik mij volgens Kant af te vragen of de stelregel van mijn handelen voor iedereen kan gelden. Wil ik bijvoorbeeld geld lenen, maar ben ik niet van plan het terug te betalen, dan stel ik mij de vraag of ik kan instemmen met de volgende algemene wet: ‘Eenieder die in geldnood verkeert, is bevoegd van een ander geld te lenen met de intentie het niet terug te betalen.’ Dit is duidelijk een absurde wet. In een wereld waarin deze wet geldt, zal niet alleen niemand meer bereid zijn geld uit te lenen, maar is het concept van lenen zelf onmogelijk geworden. Ik kan daarom onmogelijk willen dat mijn stelregel of maxime — geld lenen met de intentie het niet terug te betalen — tot algemene wet wordt. Handel ik dan toch volgens deze stelregel, dan parasiteer ik op het morele handelen van anderen. Ik handel dan volgens de gedragsregel waarvan ik zojuist heb vastgesteld dat die niet voor iedereen kan en moet gelden. Precies deze tegenspraak maakt ons handelen volgens Kant immoreel. Op grond van deze overwegingen komt Kant tot een zedenwet die uit slechts één gebod bestaat, door hem de Categorische Imperatief genoemd (letterlijk: onvoorwaardelijk gebod):

“Handel alleen volgens die maxime waarvan je tegelijkertijd kunt willen dat zij een algemene wet wordt.”

De zedenwet is niet inhoudelijk, maar zuiver formeel. De Categorische Imperatief zegt niet welke gedragingen moreel zijn, maar levert alleen de test of procedure om de morele aanvaardbaarheid ervan vast te stellen. En je hoeft er volgens Kant ook niet heel geleerd of belezen voor te zijn om vast te stellen of je gedrag moreel verantwoord is. Ook het gewoonste en minst geoefende verstand, aldus Kant, weet er mee om te gaan.

Eén van de kritiekpunten op Kants benadering is dat hij de moraal afleidt uit zoiets onpersoonlijks als de rede. Heeft de moraal, zo luidt het bezwaar, niet veel meer te maken met empathie, met het vermogen zich in de gevoelens van anderen te verplaatsen? Inderdaad kunnen allerlei deugden zoals eerlijkheid en weldoen ook verklaard worden uit het vermogen zich in anderen in te leven. Maar dat raakt volgens Kant niet de kern van de moraliteit. Ook een misdadig regime of de leden van een bende kennen deugden als loyaliteit, opofferingsgezindheid en vriendschap. Maar dergelijke deugden blijken meestal te berusten op welbegrepen eigenbelang. Ze gelden uitsluitend voor de eigen groep en worden terzijde gesteld als ze het eigenbelang schaden. De Categorische Imperatief daarentegen verplicht je om te reflecteren op je verlangens en daar tegenin te gaan als blijkt dat dergelijke verlangens onverenigbaar zijn met wat de gehele gemeenschap van mensen als algemene wet opgelegd kan worden. Op deze manier leren wij inzien dat we sommige verlangens wel en andere niet dienen na te streven.  

Gaan wij op deze manier te werk, dan zijn wij volgens Kant in moreel opzicht zelf-wetgever en dus autonoom. Autonomie betekent niet de vrijheid hebben om te doen en te laten wat we willen. Dan zijn we volgens Kant slechts slaaf van onze begeertes. Autonomie betekent zich onderwerpen aan de wetten die wij door een juist gebruik van ons verstand onszelf opleggen.

Helemaal origineel is Kant met zijn benadering overigens niet. Zijn zedenwet vertoont sterke overeenkomst met de leer van de Algemene Wil van Rousseau, van wie hij een groot bewonderaar was. Volgens Rousseau wordt de mens pas tot een zedelijk wezen als hij leeft in een gemeenschap van gelijken: ‘Dan ziet de mens, die tot dan toe alleen naar zichzelf had gekeken, zich gedwongen op grond van andere beginselen te handelen en zijn rede te raadplegen voor hij naar zijn neigingen luistert.’ Indien ieder lid van de gemeenschap zich bij de collectieve beraadslaging niet op eigen- of groepsbelang, maar op het gemeenschappelijk belang richt, dan zijn de wetten van de gemeenschap (door Rousseau de Algemene Wil genoemd) niets anders dan de wet die men zichzelf als redelijk wezen zou voorschrijven.[1]


[1] Zie over Rousseau’s Algemene Wil onze column van februari 2021, AA20210197. https://weblogs.arsaequi.nl/vijf-minuten-rechtsfilosofie/2021/02/10/zolang-de-onderdanen-slechts-aan-de-algemene-wil-onderworpen-zijn-gehoorzamen-zij-niemand-alleen-hun-eigen-wil/