Gastcolumnist Ann-Sophie Vandenberghe

Caveat emptor is een Latijnse uitdrukking die zich laat vertalen als “koper, wees op uw hoede; let op dat u niet door de verkoper wordt misleid.” Juridisch-technisch houdt deze waarschuwing in dat er geen aansprakelijkheid is voor degene die verkeerde informatie verstrekt en dat er geen mededelingsplichten bestaan. Eenieder wordt geacht zelf maatregelen te nemen om te voorkomen dat onder een verkeerde voorstelling van zaken wordt gecontracteerd. Wie dit nalaat en goederen koopt die gebrekkig of overprijsd zijn, draagt zelf de gevolgen van zijn tekortkoming. Het zou echter verkeerd zijn om te stellen dat het recht geen enkele vorm van bescherming biedt. In extreme vorm heeft caveat emptor nooit bestaan. Zo kon reeds in het Romeinse recht de verkoper met een actio empti worden aangesproken wanneer hij in strijd met de fides heeft gehandeld, d.w.z. wanneer hij met het bestaan der gebreken bekend was, maar ze bedrieglijk heeft verzwegen.1

In de 19e eeuw bestond er echter een sterk geloof in de eigen verantwoordelijkheid van partijen wat betreft informatievergaring. Dat bood ruimte voor een heropleving van caveat emptor in de rechtspraak. Illustratief is het Koffiehuis-arrest (HR 29 maart 1935, NJ 1935, 1470 m.nt. E.M. Meijers). De verhuurder van een koffiehuis in Amsterdam had een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot de te behalen inkomsten. De huurder liet na enig onderzoek in te stellen naar de juistheid van de beweringen van de verhuurder. Verhuurder verweerde zich met het argument dat de huurder niet op zijn beweringen had mogen vertrouwen. De Hoge Raad stelde de verhuurder in het gelijk: de voor de huurder nadelige huurovereenkomst werd in stand gehouden.

De heropleving was gelukkig maar van korte duur. Opeenvolgende uitspraken van de Hoge Raad gedurende de 20e eeuw en nieuwe, moderne wetgeving ter bescherming van de consument, betekenden de dood van caveat emptor. Een overeenkomst is vernietigbaar wanneer de verkoper verkeerde informatie heeft verstrekt, zelfs indien hij niet heeft gelogen, maar wel had moeten weten dat de verstrekte informatie verkeerd was.2 En middels het aannemen van mededelingsplichten wordt de koper beschermd tegen verkopers die halve waarheden vertellen.3 Niet caveat emptor, maar het least-cost-information-gatherer (LCIG) principe is de beste beschrijving van het moderne, geldende recht.4 Volgens dit principe moet relevante informatie worden verstrekt door diegene die de informatie tegen de geringste kosten kan verkrijgen.5 Wie kan bijvoorbeeld tegen de geringste kosten de informatie verkrijgen dat een huis is aangetast door boktorren? De verkoper of de koper? Het antwoord is overduidelijk de verkoper aangezien hij deze informatie simpelweg kan verkrijgen als bijproduct van bewoning. Daarom is volgens de wet (art.7:17 BW) de verkoper aansprakelijk voor verborgen gebreken wanneer hij de koper van het bestaan ervan niet op de hoogte heeft gebracht.

In de hedendaagse economie bestaat echter het gevaar voor een terugkeer van caveat emptor via de achterdeur.6 Een voorbeeld kan dit verduidelijken. In de marketing wordt veelvuldig gebruik gemaakt van psychologische manipulatietechnieken die kopers in de richting van irrationele aankoopbeslissingen duwen.7 Het referentie-effect (anchoring effect) bijvoorbeeld, is de onbewuste beïnvloeding die we ondergaan door niet-relevante informatie. Bij afprijzingen wordt voluit gebruik gemaakt van dit effect: “Nu geen 110 Euro, maar slechts 80 Euro”. Door het noemen van het eerste getal wordt je referentie gezet en vind je het goedkoop. Echter, de koper die achteraf ontdekt dat het goed elders goedkoper wordt aangeboden en de overeenkomst wil laten vernietigen, zal bot vangen bij de rechter. Strikt genomen heeft de verkoper immers geen verkeerde informatie verstrekt; hij heeft niet beweerd dat zijn goederen goedkoper zijn dan bij de concurrent terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Via de manipulatietechniek heeft hij het onderbewuste van de koper het werk laten doen. De koper heeft zichzelf misleid. De verkoper wast zijn handen in onschuld. Dit komt neer op een de facto terugkeer van caveat emptor. Kopers die vanwege een tekort aan informatie kwalitatief inferieure of overprijsde goederen kopen, genieten in de praktijk geen juridische bescherming, terwijl dit rechtens wel het geval zou moeten zijn. Er is dus sprake van een discrepantie tussen de ‘law on the books’ en de ‘law in action’.8

Het LCIG-principe biedt een effectief wapen in de strijd tegen een terugkeer van caveat emptor. Een consistente toepassing van het LCIG-principe brengt immers met zich mee dat verkopers die gebruik maken van manipulatietechnieken de kopers hiervan op de hoogte moeten brengen. Wie kan tegen de geringste kosten de informatie verkrijgen dat gebruik wordt gemaakt van manipulatietechnieken? Dat is overduidelijk de verkoper aangezien hij degene is die verkoopmedewerkers traint in het gebruik ervan. Concreet betekent dit dat een verkoper zich niet langer kan verweren met het argument dat de koper de misleiding aan zichzelf te wijten heeft wanneer hij heeft nagelaten te vertellen dat hij technieken gebruikt die de misleiding in de hand werken. Laat ons ervoor zorgen dat caveat emptor voorgoed verdwijnt.9

1 M. Kaser en F.B.J. Wubbe, Romeins Privaatrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1971, p. 209.2 HR 15 november 1957, NJ 1958, 67, m.nt. L.E.H. Rutten (Baris/Riezenkamp). 3 HR 30 november 1973, NJ 1974, 97, m.nt. G.J. Scholten (Van der Beek/Van Dartel). 4 G. De Geest, Rents. How Marketing Causes Inequality, Beccaria Books 2018, p. 258. 5 A.T. Kronman, ‘Mistake, Disclosure, Information, and the Law of Contracts’, Journal of Legal Studies (7) 1978, p. 1-34. 6 De Geest 2018, p. 256-259. 7 De Geest 2018, p. 216-222. 8 De Geest 2018, p. 258-259. 9 De Geest 2018, p. 259 (‘It is time to make sure that caveat emptor is really dead’).