De rechtsspreuk ‘wie stelt, bewijst’ kennen we allemaal. Bijvoorbeeld uit artikel 150 Rv: ‘De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.’ Ook in het straf- en bestuursrecht geldt het principe ‘wie stelt, bewijst’. In het strafrecht is dit principe verbonden met de onschuldpresumptie.

Juristen worden opgevoed met ‘wie stelt, bewijst’, maar de vraag naar het waarom van dit principe blijft vaak onderbelicht. Voor een antwoord op die vraag moeten we een beetje uitzoomen. Want ‘wie stelt, bewijst’ heeft een juridische invulling, maar geldt natuurlijk ook buiten het recht, zoals in alledaagse, wetenschappelijke en politieke discussies. Zelfs in disputen over het geloof. Denk aan het godsbewijs.

De vraag naar het waarom van ‘wie stelt, bewijst’ kunnen we hanteerbaar maken, door te kijken naar de persoon die stelt, naar de inhoud en strekking en naar de context van de uiting. Kort gezegd: X stelt Y in context Z. Laten we eerst eens kijken naar taalhandelingen waarin vragen om bewijs niet heel zinvol is. Als iemand tegen je zegt ‘ik hou van je’ dan is de vraag naar bewijs normaal gesproken een beetje gek. Hetzelfde geldt bij de ambtenaar van de burgerlijke stand die zegt ‘hierbij verklaar ik dat u getrouwd bent’. Bewijslast geldt in principe voor bewerende uitingen. In principe, want iemand die beweert dat de aarde rond is, wordt minder snel om bewijs gevraagd dan iemand die dat ontkent. En iemand die een politieke verandering bepleit zal eerder om een onderbouwing worden gevraagd dan iemand die dat niet wil.

De reden voor die verschillen bij bewerende uitingen is gelegen in de werking van een ‘presumptie’, een begrip dat we hierboven losjes noemden bij de onschuldpresumptie in het strafrecht. Een presumptie is – kort gezegd – een veronderstelling, een uitgangspunt of een ‘rechtsvermoeden’. Een voorbeeld van het laatste is de onschuldpresumptie, de presumptie dat iemand onschuldig is tenzij het tegendeel is bewezen. De bewijslast rust daarmee bij de partij die beweert dat iemand schuldig is. Presumpties sturen daarmee de bewijslastverdeling en ‘faciliteren’ discussies.

De onschuldpresumptie heeft een normatief karakter, maar er zijn ook presumpties met een meer empirisch, kennistheoretisch of praktisch karakter. In het burgerlijk recht geldt bijvoorbeeld voor ‘notoire’ feiten, dat wil zeggen feiten van algemene bekendheid, geen bewijslast. De praktische presumptie is hier dat het wat omslachtig zou worden om het bekende te gaan bewijzen (de rondheid van de aarde). Een ander voorbeeld is de presumptie van het normale spraakgebruik bij de interpretatie van rechtsnormen. Daarbij gaan we ervan uit dat de normale regels voor communicatie gelden. Degene die stelt dat die in een bepaald geval niet gelden, zal dit moeten beargumenteren, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat een toepassing van die regels leidt tot een absurd resultaat. De reden is dan dat de wetgever dit nooit zo bedoeld zou kunnen hebben (ook een presumptie).

Soms zijn er goede redenen om van een vaste bewijslastverdeling af te wijken. Die redenen zijn dan verbonden met een andere presumptie. Dit blijkt goed uit artikel 150 Rv waarmee we dit stukje begonnen. ‘Een bijzondere regel’ of ‘de eisen van redelijkheid en billijkheid’ kunnen tot gevolg hebben dat er een andere bewijslastverdeling is. Een recent voorbeeld van zo’n afwijkende bewijslastverdeling is artikel 6:177a BW. Het behelst een omkering van de bewijslast voor het causale verband tussen schade en aardgaswinning. Normaal geldt dat de eisende partij bij de actie tot schadevergoeding het causale verband bewijst. Dit is het gevolg van de presumptie dat je niet zomaar een causaal verband tussen twee gebeurtenissen kunt aannemen. Artikel 6:177a BW formuleert nu een andere presumptie: de schade ‘wordt vermoed’ een gevolg te zijn van de aardgaswinning. Niet de eisende, maar de aangesproken partij draagt nu de bewijslast.

Presumpties en bewijslastverdelingen kunnen ook ontsporen. Men wordt dan opgezadeld met een onmogelijk bewijs. Ook dit komt buiten het recht voor. Neem de discussies over het godsbewijs. Iemand die aan een gelovige een godsbewijs vraagt, stelt een verkeerde vraag vanuit een verkeerde presumptie. Dan geldt wat Gerard Reve schreef in zijn gedicht Quia Absurdum:

‘Je boek is af, je drinkt niet meer, je hebt je rijbewijs:
wat wil je verder nog voor Godsbewijs?’

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2021.