‘Zij die geboren worden groeten u’. Onder deze titel publiceerde de civilist Hans Nieuwenhuis in 1988 een artikel over de aansprakelijkheid jegens toekomstige generaties. Zoals altijd formuleert hij zijn vragen helder:

‘Is het mogelijk dat hetgeen wij thans doen en laten een onrechtmatige daad oplevert jegens hen die over driehonderd jaar worden geboren? Is het storten van giftig afval in zee onrechtmatig, als het is opgeslagen in vaten die niet eerder dan na honderden jaren door roestvorming zullen gaan lekken?’

Ruim 30 jaar later zien we hoe actueel deze vragen zijn. De Urgenda-uitspraken en de recente uitspraak in de zaak Shell tonen wat Nieuwenhuis aan de orde stelde: de juridische aansprakelijkheid van staten en bedrijven jegens toekomstige generaties – het resultaat van een steeds groter wordende rechtsgemeenschap.

Zoals vaak zijn die recente rechterlijke uitspraken het resultaat van een lange ontwikkeling. Voor een goed zicht op die ontwikkeling doet Nieuwenhuis ‘enkele schreden terug in de geschiedenis van het recht’. Uitgaande van het adagium ‘geen belang geen actie’, laat hij zien hoe de kring van gerechtigden in de loop van de geschiedenis steeds wijder is geworden. Natuurlijk begint Nieuwenhuis in de Griekse en Romeinse tijd. Hij beschrijft hoe het idee van de ‘rechtsgemeenschap’ zich in die vroege tijd ontwikkelt: een gemeenschap van mensen die jegens elkaar rechten en plichten hebben. De beslissende stap van de polis naar de kosmopolis, uitmondend in de internationale rechtsgemeenschap van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948, is volgens Nieuwenhuis gezet door de Stoa: ‘Een van haar beroemdste vertegenwoordigers, Marcus Aurelius Antonius, schrijft in de tweede eeuw van onze jaartelling: “als Antonius ben ik burger van Rome, als mens burger van de wereld”.’ Nieuwenhuis laat vervolgens zien hoe het idee van rechtsbetrekkingen met toekomstige generaties al lange tijd in twee rechtsfiguren besloten ligt: de familie en het sociaal contract. Beide rechtsfiguren gaan al uit van het belang van continuïteit, van sustainability. Die gedachte van duurzaamheid begint langzaam zijn weerklank te vinden, zo betoogt Nieuwenhuis, in de rechtspraak van de Hoge Raad. De zorg voor het milieu wordt langzaamaan erkend als een belang dat wordt beschermd door het leerstuk van de onrechtmatige daad. En ook in de rechtswetenschap wordt in die tijd al studie gemaakt van de aansprakelijkheid jegens hen die nog geboren moeten worden. M.T. Hilhorst betoogt al in 1987 in zijn proefschrift Verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties? dat toekomstige belanghebbenden in het heden door anderen kunnen worden vertegenwoordigd.

Nu, 30 jaar na het artikel van Nieuwenhuis, wordt de aansprakelijkheid tegenover de toekomstige generaties in de verdragen en in de rechtspraak volmondig erkend. Begrijpelijkerwijs hebben deze ontwikkelingen de aandacht van een nieuwe generatie juristen. Een van die juristen is Laura Burgers, die in november 2020 promoveerde op het proefschrift Justitia, the People’s Power and Mother Earth. Voor haar proefschrift onderzocht zij acht Europese zaken, waaronder de zaak van Milieudefensie tegen Shell. In een interview in NRC Handelsblad (30 november 2020) zegt ze: ‘Toekomstige generaties kunnen niet deelnemen aan democratische besluitvorming over de aanpak van de klimaatcrisis. Maar dankzij klimaatrechtszaken wordt hun stem toch gehoord.’ Wereldwijd gaat het milieu volgens Burgers bovendien steeds meer behoren tot het domein van de grondrechten en mensenrechten.

De voorspelling van Nieuwenhuis is uitgekomen. Het recht heeft er een diachrone dimensie bij gekregen: eerlijk delen tussen heden en toekomst. Toen Nieuwenhuis zijn artikel in 1988 publiceerde, waren de jonge onderzoekers van nu nog niet geboren. Hoe zou Nieuwenhuis hebben gereageerd op al deze ontwikkelingen? Misschien zou hij glimlachend zeggen: ‘zij die geboren zijn groeten ons!’

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi maart 2021.