‘De mens wordt vrij geboren, en is alom geketend.’ Met deze dramatische zin opent Rousseau zijn verhandeling Het maatschappelijk verdrag (1762). Hij schreef het op het hoogtepunt van de Verlichting. De intellectuele stroming van de Verlichting keerde zich tegen het dogmatische autoriteitsgeloof (Kerk, monarchie) en verkondigde een op de rede gebaseerd wereldbeeld onder het motto ‘Sapere aude’: durf te weten! Dat leidde tot een steeds kritischer beoordeling van de gevestigde orde die, zo stelden de Verlichtingsdenkers, de mens onwetend en onmachtig hielden. Het verklaart Rousseaus oordeel dat de mens ‘alom geketend’ is: niet vrij om naar eigen wil en inzicht te leven, maar gevangen in een standenmaatschappij, onderworpen aan de willekeur van kerk en vorst.

Hoe kan de mens weer vrij worden? In de natuurtoestand, aldus Rousseau, was de mens onafhankelijk van anderen en dus vrij, al was zijn bestaan er hachelijk en onzeker. Maar een terugkeer naar de natuurtoestand is niet langer een optie: de mensen hebben er lang geleden voor gekozen de natuurtoestand te verlaten en zich te organiseren tot gemeenschappen. En bijna altijd hebben zij dat gedaan door een soeverein aan te stellen aan wie zij, in ruil voor bescherming, alle macht hebben overgedragen. Een slechte deal, aldus Rousseau, want de bescherming die een despoot biedt is even hachelijk en onzeker als het bestaan in de natuurtoestand, terwijl men op de koop toe zijn vrijheid heeft ingeleverd.

De mens is dus veroordeeld tot een leven in gemeenschap en dat kan hij maar beter doen te midden van gelijken dan onder een despoot. Maar hoe is vrijheid mogelijk in een gemeenschap van gelijken als iedereen voortdurend rekening moet houden met de wensen van alle anderen? Zijn wij dan niet onderworpen, niet aan één, maar aan een veelheid van despoten? We dienen echter te bedenken, aldus Rousseau, dat de overgang van de natuurtoestand naar die van de gemeenschap van gelijken tot een opmerkelijke verandering in de mens leidt: ‘Dan ziet de mens, die tot dan toe alleen naar zichzelf had gekeken, zich gedwongen op grond van andere beginselen te handelen en zijn rede te raadplegen vóór hij naar zijn neigingen luistert.’

Raakt een kwestie de belangen van de gehele gemeenschap, dan beslissen alle leden van de gemeenschap in gezamenlijk beraad. Dat gemeenschappelijk besluit wordt door Rousseau de ‘algemene wil’ genoemd, de volonté générale. Deze heeft, aldus Rousseau, altijd de juiste gerichtheid, aangezien er niemand is die niet aan zichzelf denkt wanneer hij voor allen zijn stem uitbrengt en bijgevolg iedereen voortdurend het geluk van ieder afzonderlijk wil. Het is dus mogelijk in een gemeenschap van gelijken vrij te zijn. Dat levert de volgende fraaie paradox op: ‘Zolang de onderdanen slechts aan de algemene wil onderworpen zijn, gehoorzamen zij niemand – alleen hun eigen wil.’

Prachtig, zal de scepticus tegenwerpen, maar dat komt in de werkelijkheid toch nooit voor? We laten ons toch bijna altijd door eigenbelang leiden? Inderdaad, erkent Rousseau, de som van de afzonderlijke ‘willen’, geleid door privébelang, zal vaak aanzienlijk verschillen van de algemene wil. ‘Neemt men echter van deze zelfde willen de plussen en de minnen die elkaar opheffen weg, dan blijft als som van de verschillen de algemene wil over.’ We moeten er dan alleen wel voor zorgen dat er zich geen klieken vormen, deelgroeperingen ten koste van de gemeenschap, voor wie niet het belang van de gemeenschap, maar het groepsbelang centraal staat – omdat er dan niet evenveel stemmers als mensen zijn, maar slechts zoveel stemmers als er groeperingen zijn.

Die waarschuwing mogen wij ons ter harte nemen. Rousseaus model van directe democratie lijkt slechts mogelijk in relatief kleine gemeenschappen, zoals zijn geboortestad Genève, toentertijd een stadsstaat. In landen met miljoenen inwoners lijkt alleen de representatieve democratie, met haar politieke partijen, georganiseerde middenveld en lobbygroepen, de enig werkbare vorm van democratische medezeggenschap te zijn. Maar dat deze deelgroeperingen vaak meer de belangen van hun achterban behartigen dan het algemeen belang zou wel eens een belangrijke oorzaak kunnen zijn voor de politieke onvrede bij een groeiende groep kiezers.

Het is de vraag of deze tekortkomingen in onze democratie Rousseau zouden hebben verbaasd: ‘Als een volk van goden bestond, zou het democratisch geregeerd worden. Een zo volmaakte regering is niet weggelegd voor mensen.’

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi februari 2021.