In 1953 schreef de US Supreme Court rechter Robert Jackson een concurring opinion waarin hij inging op de status van rechterlijke beslissingen:

‘Whenever decisions of one court are reviewed by another, a percentage of them are reversed. That reflects a difference in outlook normally found between personnel comprising different courts. However, reversal by a higher court is not proof that justice is thereby better done. There is no doubt that if there were a super-Supreme Court, a substantial proportion of our reversals of state courts would also be reversed. We are not final because we are infallible, but we are infallible only because we are final.’ (Brown v. Allen, 344 U.S. 443, onze cursivering)

De laatste zin is bekend geworden. Waarom? Waarschijnlijk omdat Jackson met een wat ironische paradox een weldoordacht standpunt verwoordt. Jackson wijst erop dat rechterlijke beslissingen, ook die van het Supreme Court, altijd bekritiseerd kunnen worden. Maar dat doet niets af aan de finaliteit van het rechterlijk oordeel. De reden daarvoor is bekend: de rechtsstrijd moet binnen afzienbare termijn tot een einde komen en de rechter doet een gezaghebbende uitspraak. In een rechtsstaat hebben rechterlijke beslissingen op een gegeven moment kracht en gezag van gewijsde.

De analyse van Jackson is in bredere kring bekend geworden door het werk van H.L.A. Hart. In zijn The Concept of Law (1961) noemde Hart rechterlijke beslissingen final but not infallible. Hij kwam tot die kwalificatie in de discussie met regelsceptici die (relativistisch of cynisch) beweren dat ‘recht is wat rechters zeggen dat recht is’. Hart bekritiseert deze vorm van regelscepticisme. Beslissingen van een rechter, zegt hij, zijn uitspraken met een bepaald gezag. Dat gezag maakt de beslissingen final but not infallible: de uitspraken van de rechter zijn niet boven elke kritiek verheven. Om dit te illustreren gebruikt Hart het voorbeeld van de scheidsrechter. In een spel hebben de oordelen van een scheidsrechter – bijvoorbeeld over het toekennen van punten – gezag. Ze ontlenen dit aan de regels van het spel die aangeven dat de scheidsrechter de bevoegdheid heeft om punten toe te kennen. In dit opzicht is het waar, zegt Hart, dat voor het doel van het spel ‘the score is what the scorer says it is’. Maar, zo vervolgt hij, het is van belang om in te zien dat er een regel is voor het toekennen van punten en die regel moet de scheidsrechter toepassen. En de regel verschaft redenen om de uitspraak van de scheidsrechter te bekritiseren.

Volgens Hart geldt hetzelfde voor het recht. Ook uitspraken van een rechter zoals ‘A is schuldig’ of ‘A heeft een recht’ zijn definitief (totdat ze even­tueel in hogere instantie zijn vernietigd). De rechter heeft de taak geschillen te beslechten, maar dient dat wel te doen aan de hand van de geldende rechtsregels. Aan de hand van de motivering legt de rechter verantwoording af waarom een bepaalde regel wordt toegepast. Die keuze van de regel en de motivering voor die keuze kunnen de grondslag zijn voor kritiek op de beslissing. Maar die kritiek doet niets af aan de gelding en de finaliteit van de rechterlijke beslissing.

Terug nog even naar het Amerika ten tijde van Jackson. Het was een tijd waarin een Amerikaanse president nog een beroep deed op het besef van die twee dimensies van een rechterlijke uitspraak en op het besef dat het respect voor een rechterlijke uitspraak een noodzakelijke voorwaarde is voor het func­tio­neren van de rechtsstaat. In 1962 sprak president J.F. Kennedy de Amerikaanse bevolking toe op TV naar aanleiding van de protesten tegen de uitspraak van de rechter in de zaak van James Meredith (Meredith v. Fair, 313 F.2d 532 (1962):

‘Americans are free, in short, to disagree with the law but not to disobey it. For in a government of laws and not of men, no man, however prominent or powerful, and no mob however unruly or boisterous, is entitled to defy a court of law.’

Deze column van Carel Smith & Harm Kloosterhuis is eerder verschenen in Ars Aequi september 2020.