Het beginsel ‘No man shall be permitted to take advantage of his own wrong’ is onderdeel van de Common Law van Engeland. We vinden het beginsel als Latijnse spreuk (commodum ex iniuria sua nemo habere debet) in Sir Edward Coke’s invloedrijke The Institutes of the Laws in England (1628-1644) die de toepassing ervan in enkele cases bespreekt. Zo komt iemand geen actie uit huisvredebreuk toe als een ander bij hem binnentreedt om de onrechtmatige hinder van de eerste te stoppen. In een andere zaak was beslist dat de eigenaar van een stuk grond geen actie toekomt uit schadevergoeding jegens de bezitter van vee dat als gevolg van een defect aan de hekken die de grondeigenaar had behoren te onderhouden was afgedwaald, waardoor het vee andere, wel goed onderhouden hekken van de grondeigenaar had vernield. In beide gevallen is volgens Coke de maxime van toepassing ‘that no man shall take advantage of his own wrong’.

Een meer dramatische toepassing vindt de maxime in de zaak Riggs v. Palmer (115 N.Y. 506, 22 N.E. 188, 1889). In deze zaak wordt de kleinzoon Elmer Palmer, die zijn grootvader met gif om het leven heeft gebracht, de erfenis ontzegd, ofschoon hij daarop recht heeft volgens het testament van zijn grootvader en de toenmalige wetten een beroep op het testament niet verhinderden. In de dissenting opinion stelde Judge Gray dat hij graag anders zou hebben beslist, maar: ‘the matter does not lie within the domain of conscience. We are bound by rigid rules of law’. Namens de meerderheid erkent Judge Earl dat Elmer Palmer naar de letter van de wet recht op de erfenis heeft, maar dat het nooit de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat in een dergelijk geval de erfgenaam van de erflater kan erven. In plaats van de letter van de wet te volgen dient de rechter acht te slaan op ‘fundamental maxims of the common law, such as “No one shall be permitted […] to take advantage of his own wrong”.’

Vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw krijgt de maxime ook buiten de common law bekendheid, doordat de beslissing in Riggs v. Palmer een belangrijke rol speelt in de kritiek die Ronald Dworkin formuleert op het rechtspositivisme van H.L.A. Hart. Deze beslissing toont volgens Dworkin aan dat rechters zich in ingewikkelde kwesties niet alleen oriënteren op rechtsregels, maar ook op morele beginselen of maximes. Het recht is volgens hem dus niet een systeem van door de wetgever uitgevaardigde regels (de rechtspositivistische claim volgens Dworkin), maar een systeem van zowel regels als van morele beginselen die hun gelding ontlenen, niet aan wetgeving, maar aan ‘the sense of appropriateness developed in the [legal] profession and the public over time’ (Taking Rights Seriously 1979, p. 40).

Veel rechtsfilosofen beschouwen Dworkins kritiek op Hart als de sterkst mogelijke kritiek op de sterkst mogelijke versie van het rechtspositivisme. Dat verklaart dat het Hart-Dworkin debat tot een stortvloed aan publicaties heeft geleid en in zo’n beetje elk rechtsfilosofisch leerboek wordt gepresenteerd als dé kerncontroverse van de twintigste-eeuwse rechtsfilosofie. Zo werd Riggs v. Palmer ook voor Nederlandse rechtenstudenten verplichte leerstof.

Heeft het beginsel langs deze weg ook de Nederlandse rechtspraak bereikt? In De onwaardige deelgenoot (HR van 7 december 1990) beslisten rechtbank en hof dat L., die zijn hulpbehoevende vrouw, met wie hij vijf weken was gehuwd, om het leven had gebracht, geen aanspraak kon maken op de helft van het tot die gemeenschap van goederen behorende vermogen. Zij overwogen daarbij onder meer dat in dit geval het algemene rechtsbeginsel van toepassing is dat hij, die opzettelijk de dood van een ander heeft veroorzaakt, die hem begunstigd heeft, geen voordeel uit deze begunstiging behoort te kunnen trekken.

Iedere rechtsfilosoof die van dit arrest kennisneemt, aldus Arend Soeteman in een noot onder het arrest (https://arsaequi.nl/product/rechtsfilosofische-annotaties/), zal ogenblikkelijk denken aan de zaak Riggs v Palmer. En niet alleen rechtsfilosofen, voegen wij hieraan toe, maar iedereen die tijdens zijn rechtenstudie het vak rechtsfilosofie maar enigszins oplettend heeft gevolgd. Wij kunnen het natuurlijk niet bewijzen, maar we denken dat het beginsel zich daarom in deze zaak met zoveel kracht kon opdringen.

Deze column van Carel Smith & Harm Kloosterhuis is eerder verschenen in Ars Aequi december 2019.