Het coronavirus houdt al enige tijd een aantal mensenrechten in zijn greep. Omdat mensenrechtenbeperkingen slechts in uitzonderingsgevallen zijn toegestaan, kan per getroffen maatregel – al dan niet bij de rechter – de rechtvaardiging daarvan worden bediscussieerd. Van die mogelijkheid wordt dankbaar gebruik gemaakt. Hoewel het van groot belang is om je af te vragen of onze mensenrechten wel voldoende bescherming genieten, is dat slechts één kant van de medaille. De vraag welke individuele plichten deze rechten met zich brengen, is minstens zo belangrijk.

Dat rechten ook bepaalde plichten impliceren, is eigenlijk heel triviaal. Mensenrechten zijn op zichzelf immers weinig effectief: zij ontlenen hun kracht aan correlerende verplichtingen tot het nalaten van handelingen die het recht doorkruisen of tot het verrichten van handelingen die het recht bevorderen. Die gedachte vinden we ook terug in artikel 29 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, waarin is neergelegd dat iedereen plichten heeft ten aanzien van de gemeenschap. Die plichten zijn er niet enkel omwille van de gemeenschap, maar ook omdat de mens zonder die gemeenschap niet in staat zou zijn zich ten volle te ontplooien.

De correlatie tussen rechten en plichten legt bovenal het onderscheid tussen de mens als individu en de mens als onderdeel van een gemeenschap bloot. In zekere zin zou je kunnen zeggen dat de correlatie tussen rechten en plichten individuen ertoe dwingt verantwoordelijk met de rechten die hun toekomen om te gaan en rekening te houden met de gevolgen die het uitoefenen daarvan voor de rest van de gemeenschap heeft. Het belang van de volksgezondheid vereist tegenwoordig allerlei beperkingen aan individuele mensenrechten. Denk daarbij aan beperkingen aan de individuele bewegingsvrijheid. Het is van belang om in te zien dat het recht op bewegingsvrijheid hier samengaat met een verantwoordelijkheid voor de bescherming van de volksgezondheid. Tot op zekere hoogte kan van individuen verlangd worden daartoe actief bij te dragen. Het is binnen een gemeenschap onafwendbaar dat individuele mensenrechten elkaar doorkruisen. In dat kader zal men zich moeten onthouden van overmatige individuele aanspraken die tot gevolg hebben dat de rechten van anderen worden beknot. Mensenrechten zijn geen middel om onbegrensd individuele aanspraken te doen, maar roepen ook plichten in het leven waarop eenieder zijn gedrag bij voorbaat dient af te stemmen.

Toch ligt vandaag de dag het zwaartepunt vooral op het kunnen uitoefenen van individuele rechten en veel minder op de gevolgen die dit voor de rest van de gemeenschap heeft. Sinds de achttiende eeuw overheerst de gedachte dat individuen allerlei rechten toekomen en staat de individuele vrijheid centraal. Mensenplichten worden niet gezien als een essen­tieel principe dat het leven in een gemeenschap mogelijk maakt, maar juist als iets dat individuele vrijheden kan beperken.

In 1998 deden de opstellers van de Universele Verklaring van de Verantwoordelijkheden van de Mens (Inter Action Council of Former Heads of State and Government, A Universal Declaration of Human Responsibilities, 1997) een poging om het mensenrechtendebat een andere richting op te sturen. De Verklaring werd kritisch ontvangen (zie bijvoorbeeld B. Saul, ‘In the shadow of human rights: human duties, obligations and responsibilities’, Columbia Human Rights Law Review (31) 2001, afl. 3, p. 565-624), met als voornaamste bezwaar dat bestaande mensenrechtenverdragen in voldoende mate mensenplichten zouden bevatten. Bovendien heerste de gedachte dat zulke mensenplichten weinig praktische betekenis hebben en beperkt moeten blijven tot de moraliteit.

De Verklaring beoogde evenwel geen radicale verandering te brengen in het mensenrechtendebat, maar aan te zetten tot bewustwording van zekere individuele plichten jegens de gemeenschap. Eric Boot trachtte de storm aan kritiek dan ook enigszins te nuanceren (‘Het belang van individuele mensenplichten’, AA20120903). Hij betoogde dat mensenrechten en mensenplichten een sterke afhankelijkheidsrelatie hebben. Sterker nog, de menselijke waardigheid zou vooreerst mensenplichten met zich brengen. Pas op het moment dat individuen mensenplichten jegens elkaar in acht nemen, wordt het mogelijk om op adequate wijze individuele mensenrechtenaanspraken te doen.

De grote regelmaat waarmee de afgelopen tijd individuele mensenrechtenaanspraken worden gedaan, zonder acht te slaan op de plichten die zulke rechten met zich brengen, heeft blootgelegd dat het belang van mensenplichten vandaag de dag onvoldoende doordringt. Het is daarom tijd om de discussie te heropenen en onszelf opnieuw de vraag te stellen of mensenplichten geen prominentere plek verdienen binnen het recht. Het is onhoudbaar om mensenrechten uitsluitend als middel te zien om individuele aanspraken te doen: wij zullen ons moeten oriënteren op de veelheid aan plichten die met mensenrechten correleren.

 

Dit redactioneel van Luka MacLean & Asaf Elvan is verschenen in Ars Aequi februari 2022.