Diversiteit is een hot topic. Momenteel lijkt de discussie zich vooral toe te spitsen op wat men kan omschrijven als diversiteit van identiteiten. Universiteiten streven ernaar meer vrouwen, etnische minderheden, homo’s en transgenders in wetenschappelijke (top)functies te benoemen. Zij vinden het belangrijk om ondervertegenwoordigde groepen zo actief mogelijk te betrekken en hun ook rolmodellen te bieden. Bovendien ligt er de gedachte aan ten grondslag dat divers samengestelde teams creatiever en innovatiever onderzoek verrichten. Inmiddels klinkt weleens de vraag of de diversiteitsdiscussie niet moet worden verbreed. Is bijvoorbeeld viewpoint diversity – diversiteit van ideeën en perspectieven – niet minstens zo belangrijk, juist voor een normatief kennisdomein als de rechtswetenschap?

Deze vraag raakt aan een langer lopend debat. Sinds het verschijnen van Carel Stolkers ‘Ja, geléérd zijn jullie wel!’ (NJB 2003, afl. 15, p. 766-778) is volop gediscussieerd over de aard en de methoden van de rechtswetenschap. Dat leidde tot allerhande lezenswaardige publicaties. Een kleine greep daaruit. Volgens Jan Smits is inmiddels sprake van een ‘identiteitscrisis’ (The Mind and Method of the Legal Academic 2012). Jan Vranken vraagt zich af of in de maatschappij levende onderwerpen op rechtenfaculteiten wel voldoende worden opgepakt en of de huidige methoden wel toereikend zijn (Law and Method 2012, p. 42-62). Rob van Gestel kiest een andere insteek en wil meer aandacht voor de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechtswetenschapper (RegelMaat 2018, afl. 1-2, p. 95-108; AA20220030).

In zijn algemeenheid is de neutraliteit van wetenschappers heikele materie. Enkele jaren geleden leidde het zogeheten ‘Meldpunt voor linkse indoctrinatie’ tot consternatie. Honderden wetenschappers kantten zich tegen deze door Forum voor Democratie geïnstigeerde actie. De kwestie leidde tot Kamervragen. Uit het KNAW-rapport ‘Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland’ bleek later dat het meeviel met de vermeende gebrekkige politieke diversiteit op universiteiten. Stolker stelde in reactie erop dat een verscheidenheid aan perspectieven voor juristen extra belangrijk is, omdat de rechtswetenschap normatiever is dan meestal wordt gedacht. Het vakgebied zit uit de aard der zaak dicht op de politiek. Praktijk en theorie zijn vaak ook met elkaar verstrengeld en niet zelden draait het mede om het formuleren van ‘wenselijk’ of ‘beter’ recht (‘Vrijheid van wetenschap – drie steentjes in een rustige KNAW-vijver’, scienceguide.nl 2018).

Stolker heeft een punt. Het normatieve element is moeilijk weg te denken uit de rechtswetenschap. Toegegeven: dé rechtswetenschap bestaat eigenlijk niet. Onze discipline is allang geen monolithisch geheel meer, maar tegenwoordig zeer pluriform en in toenemende mate internationaal gericht. Zo is het aantal deelgebieden flink uitgedijd en de methodenpluriformiteit vergroot. Rechtenfaculteiten zijn evenwel geen bolwerk van exactheid en zullen dat vermoedelijk ook nooit worden. Dat zit ’m in de aard van het onderzoeksobject. Het recht is, in Vrankens woorden, als discursieve grootheid ‘het altijd voorlopige resultaat van een proces van meningsvorming en overtuiging’ (Asser/Vranken, Algemeen deel 1995/105). Uitlegging en toepassing van rechtsregels vergen vaak een waardeoordeel (Smith, NJLP 2009, afl. 3, p. 202-225). Omdat rechtswetenschappers constant bezig zijn met interpreteren en argumenteren is een zekere mate van subjectiviteit welhaast onvermijdelijk.

De vraag is hoe de rechtswetenschap hier als discipline mee moet omgaan. Wij zien ten minste drie richtsnoeren. In de eerste plaats: laat onderzoeksgroepen zo divers mogelijk zijn samengesteld. Daarbij zou het niet alleen moeten gaan over gender, etniciteit en seksuele gerichtheid, maar zeker ook over (praktijk)ervaring, multidisciplinariteit en normatieve preferenties als politieke voorkeur of religieuze overtuiging. Dit voorkomt de vorming van een monocultuur, prikkelt tot andere onderwerpkeuzes en nieuwe methoden, en leidt tot het bevragen van fundamentele aannames. Daarnaast is het cruciaal om tegenspraak te organiseren (Van Gestel, AA20170878). Waar eenzijdigheid het academisch debat fnuikt, leiden botsende visies immers tot nieuwe inzichten en voorheen ondenkbare oplossingen. Wrijving leidt tot glans. Tot slot is het belangrijk transparantie te betrachten. Rechtswetenschappers zouden moeten laten zien waar het juridische en het politieke elkaar raken of zelfs overlappen, en wanneer in hun analyses normatieve preferenties een rol spelen. Dit alles is niet altijd makkelijk, maar dient het kritisch debat en daarmee de rechtswetenschap.

 

Dit redactioneel van Joas Bakker & Rowin Jansen is verschenen in Ars Aequi januari 2022.