Uit onderzoek van de Raad voor Rechtsbijstand (‘Cijfers en trends’, rvr.org) blijkt dat de uitstroom van sociaal advocaten in de periode 2014-2019 elk jaar groter was dan de instroom. Daarnaast blijkt dat de gemiddelde leeftijd van sociaal advocaten is gestegen. In 2012 was 31% van hen jonger dan 35 jaar, in 2019 nog maar 20%. Steeds minder jonge meesters maken de keuze om (kort) na hun rechtenstudie als sociaal advocaat te beginnen. Dat heeft volgens ons te maken met de lage beloning die sociaal advocaten ontvangen. Voor starters valt dit uiteen in een tweetal problemen: (i) de lage vergoeding zelf, en (ii) het feit dat de beroepsopleiding uit eigen zak moet worden betaald. Wij bespreken beide punten hieronder.

Sociaal advocaten krijgen voor hun werk een forfaitaire vergoeding. Dat betekent dat op voorhand per type zaak is vastgesteld hoeveel uren een advocaat maakt, uitgedrukt in punten (art. 2-5 Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr 2000)). Voor zo’n systeem is veel te zeggen. Het voorkomt dat er onnodig veel uren gemaakt worden teneinde een hoge(re) toelage te krijgen. Het is wel noodzakelijk dat de vergoeding in een redelijke verhouding staat tot de verrichte werkzaamheden. Dat houdt niet alleen in dat de daadwerkelijk gemaakte uren in het algemeen dienen te corresponderen met de forfaitair vastgestelde uren, maar ook dat de forfaitaire vergoeding op zichzelf voldoende hoog moet zijn om een redelijk inkomen te genereren. Indien een zaak meer uren kost dan overeenkomt met de forfaitair vastgestelde punten, kan weliswaar een aanvraag voor extra vergoeding worden ingediend, maar pas als het aantal uren drie keer zo hoog is (Van Nispen, De staat van de sociale advocatuur, 2019, p. 4). Hierdoor ontstaat er een aanzienlijk gat tussen het aantal gemaakte uren en het aantal vergoede uren. Voorts is de vergoeding op zichzelf laag: het basisbedrag (art. 3 Bvr 2000) was in 2020 even hoog als in 2010, namelijk € 110,62 per punt. Wel is er voor 2020 en 2021 een extra toelage ingesteld, resulterend in een tarief van € 121,50 per punt voor de eerste 1.500 punten (Kamerstukken II 2019/20, 31753, nr. 182, p. 1). Maar gecorrigeerd met de door het CBS vastgestelde inflatiecijfers betreffende de periode 2010-2020 blijft de koopkracht van dit hogere tarief achter ten opzichte van die van de vergoeding van 2010. Ondanks de extra toelage is de vergoeding relatief gezien dus afgenomen in de afgelopen tien jaar.

Daarnaast moet de beginnende sociaal advocaat vaak zijn eigen beroepsopleiding financieren, zonder dat hij in loondienst wordt genomen. Door jaren van bezuiniging kunnen de meeste kantoren die (voornamelijk) gesubsidieerde rechtsbijstand verlenen het zich namelijk niet permitteren om advocaat-stagiairs in loondienst te nemen én hun beroepsopleiding te bekostigen.

De per 1 december 2020 in werking getreden Subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten (Stcrt. 2020, 61599) moet de instroom van advocaat-stagiairs in het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand stimuleren (art. 2). Een bedrag van twee miljoen euro wordt beschikbaar gesteld om de kosten van de beroepsopleiding van sociaal advocaat-stagiairs te vergoeden. Aanspraak hierop kan enkel worden gemaakt door advocaat-stagiairs in loondienst. Uiteraard verlaagt dit de drempel om in de sociale advocatuur te stromen. Niettemin twijfelen wij aan de impact van de subsidieregeling. Voornoemd bedrag strekt namelijk ter subsidiëring van slechts 175 advocaat-stagiairs en is bij het ter perse gaan van dit redactioneel al bijna uitgeput: er kunnen nog ongeveer 35 aanvragen worden gedaan (‘Subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten bijna uitgeput’, advocatenorde.nl, 29 april 2021). Het is te verwachten dat het subsidieplafond dus tijdens de tweede aanvraagronde, deze september, al wordt bereikt. Bovendien brengt de subsidieregeling geen verandering in het eerste probleem dat wij hierboven signaleren. De (hoogte van de) forfaitaire vergoeding laat zij immers ongemoeid.

Structurele verbeteringen, zoals een permanente ophoging van de forfaitaire vergoeding en een permanente aanspraak op bekostiging van de beroepsopleiding, brengt de subsidieregeling derhalve niet. Dat die echter nodig is, lijkt de Tweede Kamer zich door aanneming van de motie-Klaver/Ploumen (Kamerstukken II 2020/21, 28362, nr. 44) inmiddels te realiseren. Daarin wordt ertoe opgeroepen ‘voldoende middelen structureel vrij te maken voor de sociale advocatuur’. Het is te hopen dat nu de daad bij het woord wordt gevoegd.

 

Dit redactioneel van Youri Cremers & Lara Ohnesorge is verschenen in Ars Aequi september 2021.