Milieudelicten kunnen enorme gevolgen hebben voor mens en natuur. Onder ‘milieudelicten’ worden de in artikel 1a WED genoemde overtredingen verstaan. Concrete voorbeelden van milieudelicten zijn illegale afvaldumping en illegale handel in pesticiden (zie voor meer voorbeelden www.om.nl/onderwerpen/milieucriminaliteit). In dit redactioneel gaan we in op de positie van slachtoffers van milieudelicten in strafprocedures die als reactie daarop worden gevoerd. Ook vragen we aandacht voor een meer op herstel gerichte benadering van dit type misdaad.

Dat slachtoffers in strafprocedures tegen verdachten van milieucriminaliteit niet altijd een sterke positie zullen hebben, leiden wij af uit twee dingen. Allereerst kunnen slachtoffers in dergelijke procedures niet zonder meer gebruikmaken van het spreekrecht ex artikel 51e Sv. Dit spreekrecht kan alleen worden uitgeoefend, indien ‘het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld’ of het een van de genoemde misdrijven met een lager strafmaximum (lid 1) betreft. Voor milieudelicten geldt blijkens artikel 6 lid 1 sub 1 WED een strafmaximum van zes jaar gevangenisstraf en ze worden in artikel 51e lid 1 Sv ook niet met name genoemd. Het spreekrecht komt in milieustrafzaken dus niet in beeld, tenzij naast het betreffende milieudelict ook nog een misdrijf ten laste wordt gelegd waarvoor het spreekrecht wél is toegelaten.

Ten tweede biedt artikel 51f lid 1 Sv ‘degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit’ weliswaar de mogelijkheid zich als benadeelde partij te voegen in het strafproces om een schadevergoeding te krijgen, maar het is de vraag hoe vaak slachtoffers van milieudelicten deze mogelijkheid in de praktijk ook kunnen benutten. De rechter kan op grond van artikel 361 lid 3 Sv de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, als behandeling van de schadevergoedingsvordering ‘een onevenredige belasting van het strafgeding’ zou opleveren. We kunnen ons gezien het doorgaans complexe karakter van de afwikkeling van milieu- en/of gezondheidsschade voorstellen dat deze mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring voor strafrechters juist in milieuzaken aantrekkelijk kan zijn, bijvoorbeeld om te voorkomen dat een deskundigenonderzoek naar de geclaimde schade ingesteld zou moeten worden (vgl. Claassens, Strafblad 2012/2, p. 244).

Het is in het licht van de toegenomen en toenemende aandacht voor de positie van slachtoffers van strafbare feiten in de politiek, wetenschap en samenleving (vgl. Nan, AA20201117) interessant om na te denken over meer slachtoffergerichte manieren waarop naast of in plaats van een reguliere strafprocedure gereageerd zou kunnen worden op milieudelicten, te meer daar in het geval van zulke delicten slachtofferkringen potentieel zeer omvangrijk zijn. Geïnspireerd door succesverhalen uit bijvoorbeeld Australië over environmental restorative justice (vgl. Jenkins 2018) wijzen we in dit verband graag op herstelrecht.

Herstelrecht draait in de kern om een dialoog, doorgaans onder begeleiding van een bemiddelaar, tussen slachtoffer(s) en dader(s) van een bepaald strafbaar feit, waarbij soms ook overige stakeholders bij de daardoor ontstane conflictsituatie worden betrokken (Wallis 2014, p. 1). Deze dialoog is gericht op herstel van de door het delict veroorzaakte schade alsmede de slachtoffer-daderrelatie. Het herstel kan bijvoorbeeld bestaan uit financiële compensatie van slachtoffers en spijtbetuigingen, maar ook uit concrete acties om de aangerichte schade te herstellen.

Een herstelrechtelijke aanpak van milieucriminaliteit wordt in Nederland nog niet of nauwelijks toegepast, maar zou de positie van slachtoffers daarvan op twee manieren kunnen versterken ten opzichte van hun hierboven besproken positie in het strafproces. In de eerste plaats hebben die slachtoffers door het dialoogkarakter van hersteltrajecten een stem die ze in de reguliere strafprocedure als gezegd vaak ontberen. Hersteltrajecten zijn bovendien primair gericht op herstel van de schade van slachtoffers van een strafbaar feit en laten hen meebepalen wat herstel, gegeven de specifieke omstandigheden van het geval, precies zou moeten inhouden. Daardoor is de kans dat slachtoffers van milieucriminaliteit hun schade tot tevredenheid hersteld krijgen bij toepassing van een hersteltraject groter dan bij een voeging als benadeelde partij in het reguliere strafproces.

Wellicht verdient meer herstelrecht bij milieudelicten vanuit slachtofferperspectief dus aanbeveling. Tegelijkertijd roept zo’n aanbeveling allerlei vragen op, bijvoorbeeld over de verhouding van herstelrecht tot de klassieke strafprocedure; is het daar een vervanging voor of eerder een aanvulling op (vgl. Groenhuijsen 2000, p. 69-71)? De opdracht voor de actoren binnen de trias poenalis – strafwetgever, Openbaar Ministerie en strafrechter – lijkt ons om eens te gaan nadenken over de vraag of herstelrecht in relatie tot dit type criminaliteit misschien een (grotere) rol van betekenis zou kunnen gaan spelen.

 

Dit redactioneel van Nordine Lgarah & David Sander is verschenen in Ars Aequi februari 2021.