Als privaat­recht de ordening voortbrengt waarin economische activiteiten mogelijk worden (vgl. Van Damme, AA2020663), dan is het beginsel afspraak is afspraak in die ordening niet weg te denken. Pacta sunt servanda is een van de pijlers van ons privaat­recht (vgl. art. 3:296 BW). Dit uitgangspunt heeft grenzen, bijvoorbeeld in artikel 6:258 BW: de onvoorziene omstandigheden. In de huidige tijd is dit artikel relevanter dan ooit. Door de coronacrisis en bijbehorende maatregelen hebben in tal van sectoren bedrijven hun inkomsten zien opdrogen. Met artikel 6:258 BW proberen sommige ondernemers hun vaste lasten, waaronder huur, te verminderen. Dit heeft inmiddels geleid tot een aantal uitspraken in kort geding, waarin rechters zich welwillend lijken op te stellen als het gaat om het toekennen van huurverminderingen en huuropschortingen op basis van dit artikel (zie bijvoorbeeld: hof Amsterdam 14 augustus 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2604; Rb. Amsterdam 29 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3730). Op het eerste gezicht lijkt het logisch dat rechters juist in deze tijd teruggrijpen op het leerstuk van onvoorziene omstandigheden. Maar is dat wel logisch?

Naar aanleiding van de kredietcrisis in 2008 waren rechters niet bereid om een beroep van huurders op onvoorziene omstandigheden toe te wijzen. Het uitgangspunt van de wetgever bij artikel 6:258 BW dat ‘redelijkheid en billijkheid in de eerste plaats trouw [verlangen] aan het gegeven woord en afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe[laten]’, bleef onverminderd gelden (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 968). De zich destijds manifesterende risico’s werden tot het ‘gewone’ ondernemersrisico gerekend, waardoor niet aan de redelijkheid-en-billijkheidsmaatstaf in artikel 6:258 werd voldaan. Pacta sunt ser­vanda bleef het credo. Waarom wordt de coronacrisis nu anders behandeld dan de kredietcrisis?

Dat wordt niet onmiddellijk duidelijk in de door ons bestudeerde rechtszaken. Rechters lijken toeschietelijker, maar wij vonden geen duidelijke motivering waarom de huidige situa­tie verschilt van die uit 2008. Alleen een kantonrechter van de rechtbank Amsterdam benoemt in twee uitspraken dat er een verschil is (Rb. Amsterdam (ktr.) 11 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2914, r.o. 3.5; Rb. Amsterdam (ktr.) 28 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4280, r.o. 11). Het blijft echter bij een vaststelling dat in tegenstelling tot de kredietcrisis de coronacrisis ‘in het licht van de aard van de overeenkomst of verkeersopvattingen’ niet voor rekening moet komen van de huurder. Een uitleg wordt niet gegeven.

In het NJB benoemen Schelhaas en Spanjaard wel tal van verschillen tussen de coronacrisis en eerdere crises zoals de kredietcrisis. Daaruit blijkt dat het nog niet zo gemakkelijk is om het verschil in behandeling te rechtvaardigen. Schelhaas en Spanjaard schrijven bijvoorbeeld dat anders dan de kredietcrisis de coronacrisis een ernstige gezondheidscrisis is. Daardoor vinden contrac­tuele problemen hun oorsprong in ‘motieven van volksgezondheid’ en hebben zij ‘geen economische origine, noch zijn zij primair toe te schrijven aan menselijk handelen’ (Schelhaas & Spanjaard, NJB 2020/881, p. 957). De verschillen zijn evident, maar wij vragen ons af of zij volstaan om het verschil in behandeling te rechtvaardigen. Gaan zij bijvoorbeeld niet voorbij aan het gegeven dat de gemiddelde mkb’er met het ontstaan van zowel de corona- als de kredietcrisis net zo weinig te maken heeft gehad. De machteloosheid van kleine ondernemers is bij beide crises gelijk. Bovendien kan worden betoogd dat ook de huidige pandemie door menselijk handelen is veroorzaakt. Er zijn al langer aanwijzingen voor de gezondheidsgevaren van wildedierenmarkten, waar het huidige coronavirus mogelijk is ontstaan.

Toegegeven, Spanjaard en Schelhaas voeren ook andere verschillen aan die overtuigender zijn. Zij wijzen bijvoorbeeld op de (gedeeltelijke) lockdown die de samenleving op een ongekende wijze tot een halt heeft geroepen. Niettemin blijft het wringen dat rechters niet overtuigend uitleggen waarom de huidige situa­tie anders is. Dat brengt ons bij een afsluitende opmerking. Naar aanleiding van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nam in Nederland de wetgever meerdere noodmaatregelen (Jansen, NJB 2020/1316, p. 21). In het bijzonder de ‘Betalingsuitstelwet’ bleek een succes (Stb. 1914, 444). Hiermee gaf de wetgever rechters onder andere de mogelijkheid om de betalingsverplichtingen van schuldenaren korte tijd op te schorten, ‘naar aanleiding van geldelijke moeilijkheden ten gevolge van de tegenwoordige buitengewone omstandigheden’. In gemoderniseerde vorm zou deze wet misschien een steviger handvat kunnen bieden aan rechters. Los van even­tuele en welkome overheidssteun, zou de wetgever zich daarover kunnen bezinnen.

 

Dit redactioneel van Jelle van Dijk & Tim van Polanen is verschenen in Ars Aequi december 2020.