De machtenscheidingsleer heeft oude papieren. De Franse filosoof Montesquieu deed haar in het midden van de achttiende eeuw uit de doeken in zijn befaamde De l’esprit des lois. Sindsdien vormt deze leer de drieledige steunpilaar van alle westerse democratieën. De kern van de oorspronkelijke theorie is even simpel als briljant: de staatsmacht behoort niet te berusten bij één soeverein, maar dient te worden verdeeld over drie van elkaar gescheiden machten. Checks and balances moeten op hun beurt voorkomen dat deze drie machten – wetgevend, uitvoerend, rechtsprekend – verworden tot drie ‘dictators’ op hetzelfde grondgebied. Anders gesteld: machtsopeenhoping was passé, machtsevenwicht had de toekomst.

Anders dan weleens wordt gedacht, is de ‘trias’ geen statisch begrip. De verhouding tussen de staatsmachten verschuift al naar gelang de context en het tijdsgewricht. Het machtsevenwicht is daardoor steeds aan verandering onderhevig, zo ook in Nederland. Begin dit jaar besloot de redactie van Ars Aequi een themanummer op te zetten over ‘de trias politica in de eenentwintigste eeuw’. In de juridische doctrine en ver daarbuiten was namelijk beroering ontstaan over de rechterlijke oordelen in de Urgenda-zaak, de stikstof-uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het SyRI-vonnis van de Haagse rechtbank. De aloude discussie over de positie van de rechter in ons staatsbestel laaide weer in alle hevigheid op. Want neemt de Nederlandse rechter tegenwoordig niet te veel vrijheid? Gaat hij niet te veel op de stoel van de wetgevende en de uitvoerende macht zitten? Of doet hij slechts wat hij moet doen – is het zogezegd business as usual – en biedt hij de burgers de hoognodige rechtsbescherming in dit tijdperk van landsgrensoverstijgende problemen?

Recent kreeg de discussie over de (al dan niet veranderende) verhoudingen tussen de Nederlandse staatsmachten een extra dimensie. Wij bevinden ons momenteel midden in de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, aldus minister-president Mark Rutte. Om het coronavirus het hoofd te kunnen bieden, nam de regering de afgelopen maanden het heft stevig in handen. Zij tuigde allerhande noodmaatregelen op en won daardoor flink aan slagkracht en doorzettingsmacht. Tijdelijk verschoof het machtsevenwicht op het Binnenhof. In een hele reeks persconferenties werden onder meer de intelligente lockdown afgekondigd, de uitvaardiging van noodverordeningen aangemoedigd, een corona-app gelanceerd en ongekende financiële noodpakketten gepresenteerd. Bij dat alles kon het parlement het regeringsbeleid niet altijd effectief controleren en zijn diverse rechtszaken op de lange baan geschoven. Ongewone tijden vragen nu eenmaal om ongewone maatregelen en ongewone bevoegdhedenverdelingen, zo leek het devies.

‘Regering regeer!’ is in tijden van crisis dan wel bittere noodzaak, maar het risico is dat door langdurige machtsopeenhoping bij de uitvoerende macht de gezonde rechtsstatelijke verhoudingen zoek raken. Stilaan begint de schoen te wringen, temeer omdat duidelijk is dat de coronacrisis waarschijnlijk pas ten einde komt zodra er een vaccin beschikbaar is – en dat gaat nog wel even duren. Het parlement komt dan ook steeds vaker in het geweer tegen de ministeriële dadendrang. Een nieuwe stoelendans met de macht is ophanden. Inmiddels werpen critici en opiniemakers regelmatig de vraag op of de medische noodtoestand nog altijd zó acuut is dat dit een buitengewoon ruime bewegingsvrijheid van de regering rechtvaardigt. Volgens menigeen moet de bestrijding van het coronavirus niet langer een solo-aangelegenheid van de regering zijn, maar plaatsvinden binnen de context van de trias politica. Dat veronderstelt een actievere parlementaire betrokkenheid bij het door de regering geïnitieerde coronabeleid en betekenisvolle rechterlijke toetsing daarvan.

De huidige ontwikkeling van de coronacrisis noopt – misschien nog wel meer dan de eerdergenoemde controversiële rechterlijke uitspraken – tot het opnieuw doordenken van de verhoudingen tussen de Nederlandse staatsmachten: wie zit op welke stoel en hoe groot mag ieders spreekwoordelijke stoel zijn? De redactie heeft met dit themanummer een bijdrage willen leveren aan het debat over de rechtsstatelijke verhoudingen in Nederland. Wij zijn de auteurs die meewerkten aan deze bomvolle editie van Ars Aequi zeer erkentelijk voor hun bijdragen en vertrouwen erop dat dit themanummer de nodige stof tot nadenken geeft.

 

Dit redactioneel van Rowin Jansen, Tim van Polanen, David Sander & Prisca Sijtsma is verschenen in Ars Aequi oktober 2020.