Huishoudelijk personeel speelt een vaak onzichtbare maar belangrijke rol in het faciliteren van gezinslevens en carrières (Hofstede, De Correspondent 25 juni 2018). De mensen – meestal vrouwen – die dit werk verrichten verdienen het om arbeidsrechtelijk even goed beschermd te worden als werknemers in andere sectoren. Daarvan is op grond van de huidige wetgeving echter geen sprake.

Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW heeft een werknemer die door ziekte niet kan werken recht op door­betaling van loon gedurende 104 weken. In artikel 7:629 lid 2 sub a BW wordt echter een uitzondering gemaakt voor de werknemer die minder dan vier dagen per week diensten ten behoeve van het huishouden verricht voor een natuurlijke persoon (huishoudelijk personeel). Huishoudelijk personeel kan slechts gedurende zes weken aanspraak maken op doorbetaling en wordt daarnaast uitgesloten van de werkingssfeer van de Ziektewet (ZW) en de WIA (art. 6 lid 1 sub c ZW jo. art. 8 lid 1 WIA). Dit pakket aan wettelijke uitzonderingen, dat van toepassing is op 95% van het huishoudelijk personeel (Panteia, De markt voor dienstverlening aan huis, p. 5), staat in de praktijk bekend als de Regeling dienstverlening aan huis (hierna: de Regeling).

Huishoudelijk personeel is arbeidsrechtelijk dus erg slecht beschermd. Wij bespreken hier drie inzichten uit empirisch onderzoek naar de effecten van de Regeling, en komen tot de conclusie dat de arbeidsrechtelijke bescherming van huishoudelijke hulpen beter moet worden geregeld.

De wetgever wijst ter onderbouwing van de Regeling op het creëren van werkgelegenheid. Door de lasten op arbeid in deze sector te verlagen, zou de vraag naar huishoudelijke hulp moeten toenemen (Kamerstukken II 2007/08, 30804, nr. 3, p. 7). De commissie-Kalsbeek, die in 2014 onderzoek deed naar de Regeling, concludeert in haar eindrapport echter dat voor een positief werkgelegenheidseffect van de Regeling weinig bewijs te vinden is. De commissie betwijfelt in hoeverre de Regeling er daadwerkelijk voor zorgt dat de (administratieve) werkgeverslasten op arbeid worden verlaagd. Het meest waarschijnlijke alternatief voor de Regeling is namelijk in de praktijk niet de reguliere arbeidsovereenkomst, met het hele pakket aan arbeidsrechten, maar het informele circuit. Het inhuren van een huishoudelijke hulp volgens de Regeling is niet goedkoper dan het alternatief: het informeel (zwart) inhuren van huishoudelijk personeel. De Regeling zal daarom niet leiden tot meer werkgelegenheid (Eindrapport commissie-Kalsbeek, p. 31).

Daarnaast blijkt uit onderzoek dat de Regeling in de praktijk vanuit werkgeverszijde slecht wordt nageleefd. In 2014 voldeed slechts 4,1% van de huishoudens met huishoudelijke hulp aan de volledige regels rondom doorbetaling bij ziekte (Panteia, p. 8). Ook blijkt dat het verbeteren van de rechtspositie van huishoudelijk personeel zou kunnen leiden tot een groei en/of instandhouding van de informele markt, aangezien een vijfde tot een kwart van de huishoudens aangeeft zich niet aan even­tuele nieuwe regels te zullen houden, maar wel huishoudelijk werk zegt te blijven uitbesteden (Panteia, p. 8).

Tot slot zijn de aanbieders van huishoudelijke hulp vaak niet goed geïnformeerd over hun rechten en plichten (Panteia, p. 83). De administratieve ‘papierwinkel’ die gepaard gaat met het wederzijds nakomen van rechten en verplichtingen vinden zij vaak intimiderend (Panteia, p. 88). Daarnaast geeft het merendeel van de geïnterviewde huishoudelijke hulpen aan dat zij liever een goed loon hebben op korte termijn, dan meer zekerheid voor de lange termijn. Bij hen leeft sterk het idee dat het feit dat ze zwart werken met zich brengt dat ze geen aanspraak kunnen maken op arbeidsrechtelijke bescherming (Panteia, p. 86). Slechts een minderheid, namelijk de huishoudelijke hulpen die fulltime werken en dit voor langere tijd willen blijven doen, geeft aan wél liever het hele pakket aan zekerheid dan een goed loon te hebben. Die minderheid is de groep mensen (meestal vrouwen) die van het huishoudelijk werk afhankelijk is om in hun levensonderhoud te voorzien (Panteia, p. 10).

Het bovenstaande is uiteraard slechts een korte weergave van enkele inzichten die belangrijk zijn bij het formuleren van beleid om de markt voor huishoudelijke hulp te reguleren. Het is duidelijk dat het werk van huishoudelijk personeel wordt beheerst door een regeling die hun de jure al weinig arbeidsrechtelijke bescherming biedt, en de facto nog minder. Dat is niet fraai. De minister voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid schreef in reactie op het rapport van de commissie-Kalsbeek dat de positie van huishoudelijke hulpen alleen kan worden verbeterd door aanvullend beleid (Kamerstukken II 2014/15, 29427, nr. 100, p. 3). Dat is inmiddels al zo’n zes jaar geleden. Het lijkt ons hoog tijd om hier werk van te maken. Niet praten, maar poetsen!

 

Dit redactioneel van Marleen Kappé & Esther Nauta is verschenen in Ars Aequi juni 2020.