Beurspromovendi kunnen worden geconfronteerd met stopzettings- en terugvorderingsbesluiten van hun (voorschotten op de) kinderopvangtoeslag (zie bijv. ECLI:NL:RBLIM:2019:9964 en ECLI:NL:RVS:2020:440). Anders dan werknemerpromovendi sluiten beurspromovendi geen arbeidsovereenkomst met de universiteit waaraan zij promoveren. Hun promotieonderzoek wordt gefinancierd door een (externe) beurzenverstrekker. Het ontbreken van een arbeidsovereenkomst heeft verregaande consequenties voor het recht op kinderopvangtoeslag.

Voor een aanspraak op kinderopvangtoeslag vereist de Wet kinderopvang (Wko) dat een ouder tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) wordt genoten (art. 1.6 aanhef en lid 1 sub a Wko). Met dit vereiste is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te bereiken tussen het verrichten van arbeid en het gebruikmaken van kinderopvangtoeslag (Kamerstukken II 2001/02, 28477, nr. 3, p. 61 (MvT)). De Wko moet door het vestigen van een wettelijke aanspraak op kinderopvangtoeslag de combinatie van arbeid en zorg vergemakkelijken. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van kinderopvang vergroot en wordt arbeidsdeelname bevorderd (Kamerstukken II 2001/02, 28477, nr. 3, p. 2 (MvT)).

Een ouder kan onder meer uit een dienstbetrekking, maar ook als resultaatgenieter tegenwoordige arbeid verrichten waaruit inkomen uit werk wordt genoten. De positie van beurspromovendi met kinderen is in dit kader problematisch. Allereerst sluiten beurspromovendi geen arbeidsovereenkomst met de universiteit, zodat zij niet op die grond inkomen uit werk genieten. Beurspromovendi krijgen geen salaris van de universiteit, maar ontvangen in plaats daarvan een beurs om promotieonderzoek uit te voeren. De universiteit faciliteert en begeleidt de beurspromovendus slechts. Daarnaast is onduidelijk of de fiscus beurspromovendi zal kwalificeren als resultaatgenieters. De fiscus heeft hier namelijk geen beleid over opgesteld. Daarenboven is in de literatuur niet uitgekristalliseerd of beurspromovendi kunnen worden aangemerkt als resultaatgenieters. De onzekerheid kan door de rechter niet worden weggenomen omdat het de rechter niet vrijstaat om te oordelen dat beurspromovendi resultaatgenieters zijn (art. 11 AWR). Deze beoordeling is een exclusieve bevoegdheid van de inspecteur en hier houdt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State strikt de hand aan.

Bij de totstandkoming van de Wko is geen aandacht besteed aan de positie van beurspromovendi. Desalniettemin heeft voormalig staatssecretaris Dijksma na de totstandkoming van de Wko in een Kamerbrief kenbaar gemaakt dat er geen sprake is van een onbedoelde lacune in de Wko. Hieraan legt ze ten grondslag dat bij de totstandkoming van de wet is onderkend dat deze niet zou voorzien in alle gevallen waarin behoefte bestaat aan kinderopvang. In dat kader, zo merkt de voormalig staatssecretaris op, is in de parlementaire geschiedenis aandacht geweest voor studenten en vrijwilligers, en ten aanzien van deze laatste groep is – mede om budgettaire redenen – besloten hen niet te voorzien van een aanspraak op kinderopvangtoeslag. De staatssecretaris zag gezien de nauwkeurig omschreven doelgroep voor kinderopvangtoeslag (sic) geen aanleiding om beurspromovendi ook te voorzien van een aanspraak (Brief 30 oktober 2007, kenmerk NDS146600708tkndsocw0700814).

Het bevreemdt ons dat de staatssecretaris met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis het standpunt heeft ingenomen om de Wko niet uit te breiden. Voor de groep beurspromovendi heeft bij de totstandkoming van de Wko namelijk geen uitgebreide en evenwichtige belangenafweging plaatsgevonden. Beurspromovendi verrichten, net als werknemerpromovendi, wetenschappelijk onderzoek met het oog op het publiceren van een dissertatie. Een proefschrift levert universiteiten – naast mate­rieel voordeel in de vorm van een vergoeding van het Rijk – in academisch opzicht voordeel op: onderzoek is een kerntaak van universiteiten. De activiteiten van beurspromovendi kunnen daarom worden aangemerkt als arbeid (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AU972, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8365 en ECLI:NL:RVS:2018:4074, m.nt. E.J.E. Groothuis). Tegen deze achtergrond ligt het in de rede dat ook beurspromovendi gebruik zouden moeten kunnen maken van kinderopvangtoeslag.

In dit redac­tioneel hebben wij laten zien dat kinderopvangtoeslag een arbeidsmarktinstrument is voor mensen die arbeid en zorg voor kinderen combineren. De wetgever heeft voor het recht op een wettelijke aanspraak op kinderopvangtoeslag gekozen voor aansluiting met de Wet IB 2001. Deze keuze leidt ertoe dat beurspromovendi worden geconfronteerd met stopzettings- en terugvorderingsbesluiten. De grote gelijkenissen tussen het werk dat werk­nemerpromovendi en beurspromovendi uitvoeren maken de stopzettings- en terugvorderingsbesluiten van de fiscus wrang. Het lijkt erop dat beurspromovendi met kinderen geen helpende hand hoeven te verwachten van de politiek.

 

Dit redactioneel van Nordine Lgarah & Daan van Maurik is verschenen in Ars Aequi mei 2020.