Dit kalenderjaar is het onderwerp van de Rode Draad ‘Toegang tot het recht’. Dat de redactie van dit tijdschrift dat onderwerp heeft gekozen, bevreemdt niet. Ars Aequi kent een lange traditie van bijdragen over toegang tot het recht en rechtsbescherming (zie: Sassen, AA20100395). Met dit redactioneel sluiten wij aan bij die traditie door het recente overheidsbeleid aangaande rechtsbescherming kritisch onder de loep te nemen. Enkele voorbeelden illustreren een verontrustende trend.

Ten eerste hebben opeenvolgende kabinetten de griffierechten verhoogd. Doordat de kosten voor een gerechtelijke procedure zijn toegenomen, wordt de toegang tot de overheidsrechter bemoeilijkt. Procederen wordt (fors) duurder. Rechtseconomisch onderzoek bevestigt dat de stijgende griffiekosten een negatief effect hebben op de toegang tot de rechter (Fernhout, AA20190067, p. 73). Ten tweede legt de regering meer nadruk op alternatieve geschiloplossing (ADR), zoals mediation of arbitrage. De huidige minister voor Rechtsbescherming heeft dit aangegeven in een brief aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2017/18, 34775 VI, 115). Op zichzelf hoeft dit geen negatieve gevolgen te hebben. Het is denkbaar dat mediation of arbitrage in bepaalde situaties een betere oplossing bieden dan de overheidsrechter. ADR is echter niet voor elk type geschil geschikt. Er blijft sterke behoefte aan de overheidsrechter, zoals onder andere Ahsmann in haar recente afscheidsrede heeft benadrukt (Samenwerking Rechtswetenschap en rechtspraak: van nut naar noodzaak!, 2019, p. 12). Daarnaast moet worden gewaarborgd dat de verschillende vormen van ADR voldoen aan rechtsstatelijke normen zoals legaliteit en toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter (zie daarover bijv. Bauw e.a. NJB 2019/200). In dat licht zou verplichte toepassing van ADR problematisch kunnen zijn. Het valt dus nog maar te bezien of ADR zonder problemen zo veelvuldig kan worden toegepast als de minister lijkt te hopen. Ten derde werd vanwege het centraliseringsstreven in de rechtspraak besloten om enkele rechtbanken (Almelo, Zwolle, Assen) te sluiten. Het gevolg is dat sommige burgers meer dan 100 kilometer moeten reizen voor een gerechtsgebouw: voor de toegang tot de rechter bepaald niet bevorderlijk (Eshuis, De rechter op afstand, 2017).

Een recent voorbeeld is eveneens kenmerkend voor de koers van het overheidsbeleid. De minister voor Rechtsbescherming is voornemens om de rechtsbijstand ingrijpend te wijzigen (Kamerstukken II 2017/18, 34775 VI, 115). Zijn plan zorgt ervoor dat minder mensen een beroep kunnen doen op rechtsbijstand. Boven­dien worden de prijzen waartegen rechtshulpverleners hun diensten mogen aanbieden, verlaagd. Volgens ­Westerveld zou de sociale advocatuur hierdoor weleens kunnen verdwijnen (Westerveld, AA20190226, p. 231). Het plan is dan ook stevig bekritiseerd (zie onder andere: Westhoff, NJB 2019/199). De Orde van Advocaten sprak zelfs van een ‘nieuw dieptepunt’ (Baumgardt, Felix & Kelder, DD 2019/23, p. 319).

Het nieuwe plan van de minister voor ‘Rechtsbescherming’ past naadloos in het eerder gevoerde overheidsbeleid: het wordt burgers steeds moeilijker gemaakt om te procederen bij de overheidsrechter. Deze beleidstendens vinden wij zorgelijk. Toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, rechtsbijstand door een (so­ciale) advocaat en een gerechtsgebouw in de nabije omgeving zijn geen kleinigheden. Het is van groot belang dat iedere burger zijn rechten kan afdwingen: de toegang tot het recht is niet voor niets verankerd in zowel artikel 17 Gw als artikel 6 EVRM. Natuurlijk hoeft de waarborging van het constitutioneel recht op toegang tot een rechter niet te betekenen dat de griffierechten worden geschrapt, dat een advocaat voor iedereen gratis toegankelijk moet zijn of dat ieder dorp in Nederland zijn eigen gerechtsgebouw moet krijgen. De rechtspraak kost geld; het is logisch dat er mechanismes worden ingebouwd waardoor burgers een (financiële) afweging moeten maken alvorens zij tot een gerechtelijke procedure overgaan. Maar de balans slaat inmiddels de verkeerde kant uit.

De toegang tot het recht is een groot goed, maar gemaakte en voorgenomen beleidskeuzes laten de kwetsbaarheid ervan duidelijk zien. De vicepresident van de Raad van State wees er recent nog op dat er reden is tot zorg (T. de Graaff, www.raadvanstate.nl/publicaties/toespraken-vice/toegang-recht/, 2019). Hetzelfde geldt voor zowel zijn ambtelijk voorganger als de huidige minister van Justitie en Veiligheid (Willink, Groter denken, kleiner doen, 2018; Grapperhaus, Rafels aan de rechtsstaat, 2017). Stapsgewijze veranderingen, die misschien op zichzelf weinig problematisch lijken, kunnen in onderlinge samenhang (grote) negatieve gevolgen hebben. Een koerswijziging is nodig. Stop met het opwerpen van verdere belemmeringen en behandel toegang tot het recht en rechtsbescherming als dat wat het is: een essentieel onderdeel van onze democratische rechtsstaat.

 

Dit redactioneel van Esther Nauta & Tim van Polanen is verschenen in Ars Aequi september 2019.