Drie jaar geleden deed een sociaal experiment de pluimveegemeenschap schudden op haar grondvesten. Een student aan de Amsterdamse Academie voor Theater en Dans zette een kip genaamd Jip in een hok op zijn school en liet medestudenten stemmen over het al dan niet slachten van het dier. De student wilde hiermee de reflectie op vleesconsumptie bevorderen, maar met zijn actie gooide hij de knuppel in het hoenderhok: een vrouw ontvoerde de kip en liet een briefje met de tekst ‘geen theater ten koste van een kip’ achter. Deze boodschap zet ons aan het denken over de vraag wanneer het geoorloofd is om je eigen dier te doden. Bij het zoeken naar een antwoord stuitten wij op nogal complexe en tegenstrijdige regelgeving.

De bescherming van ‘gehouden’ dieren is door de wetgever onder meer geregeld in artikel 2.10 Wet Dieren. Hierin is met het oog op de intrinsieke waarde van dieren een uitwerking van het nee-tenzij-beginsel vastgelegd: je mag dieren niet doden, tenzij je daar gegronde redenen voor hebt. Het nee-tenzij-beginsel werd in de wet duidelijk als uitgangspunt voor alle dieren beschouwd (Kamerstukken II 2007/08, 31389, 3, p. 39), maar in artikel 2.10 kreeg de regering toch de bevoegdheid diersoorten aan te wijzen waarop het beginsel van toepassing zou zijn. De regering kwam vervolgens tot de conclusie dat er te weinig consensus was over de gevallen waarin dieren wél gedood mogen worden en betwijfelde de handhaafbaarheid van het voorschrift (Stb. 2014, 210, p. 65-66). Daarom wilde men eerst praktijkervaring opdoen met het nee-tenzij-beginsel en werd het in het Besluit houders van dieren slechts van toepassing verklaard op honden, katten en ganzen. Hiermee is het beginsel vrijwel volledig uitgekleed.

Het onderscheid tussen honden, katten en ganzen enerzijds en alle andere dieren anderzijds is om twee redenen onwenselijk. Allereerst is de keuze voor deze dieren tamelijk arbitrair: honden en katten zijn in de lijst opgenomen, omdat dit de populairste huisdieren zijn en ganzen zijn onderhevig aan het nee-tenzij-beginsel, omdat een Kamerlid wees op het ‘ganstrekken’ (een spel ter ere van carnaval, waarbij de dieren werden gedood om ze vervolgens te paard te kunnen onthoofden (Stb. 2014, 210 p. 65-66)). Het is onduidelijk waarom over deze drie specifieke dieren wél consensus is over de situaties die ‘gegronde reden’ inhouden om een dier te doden, terwijl bij andere dieren het uitgangspunt blijft dat ze zonder reden gedood mogen worden door hun eigenaar.

De tweede reden ligt in de plicht om hulpbehoevende dieren te helpen. Artikel 2.1 lid 6 Wet Dieren bepaalt dat eenieder verplicht is tot zorgverlening aan een hulpbehoevend dier. Deze plicht verhoudt zich moeilijk tot de brede bevoegdheid om eigen dieren te doden. Betekent dit dat we onze buurman die geen goede schuilplaats voor zijn paard in de wei heeft, moeten aangeven, terwijl we onze buurman die zijn paard (op voorgeschreven wijze) slacht, omdat hij erop uitgekeken is, zijn gang moeten laten gaan?

In de eerdergenoemde kip-Jip-casus manifesteren beide argumenten zich. De activiste die de kip uit zijn hok stal, werd vervolgd voor diefstal en beriep zich op de rechtvaardigingsgrond ‘handelen ter naleving van een wettelijk voorschrift’ (art. 42 Sr). Ze verleende immers zorg aan een hulpbehoevend dier. De vrouw werd veroordeeld, omdat de kip zich (nog) niet in een hulpbehoevende situatie bevond. Als het mes al op Jips keel had gestaan, was dit wellicht anders geweest. Zouden alle omstanders in dat geval gedwongen zijn Jip te helpen, terwijl de eigenaar van Jip tegelijkertijd volledig in zijn recht zou staan de kip te doden? Daarnaast rijst de vraag of het gerechtvaardigd is dat het juridisch kader in deze zaak volledig anders zou zijn als de zaak niet kip Jip, maar gans Hans zou betreffen. Dan zou immers goed verdedigbaar zijn dat de eigenaar van het dier niet gerechtigd is het te doden, omdat hij hier geen goede grond voor zou hebben.

Wij pleiten ervoor het nee-tenzij-beginsel met betrekking tot het doden van dieren van toepassing te verklaren op alle dieren, zoals ook de oorspronkelijke gedachte van de wetgever lijkt te zijn in de Wet Dieren. Tot die tijd lijkt Nederland aangewezen te zijn op de regels van George Orwell: ‘All animals are equal, but some animals are more equal than others.’

0419_omslagproduct

 

 

Dit redactioneel van Daan van Maurik & Belle Vulto is verschenen in Ars Aequi april 2019.