Korpschef van de nationale politie Akerboom pleitte onlangs voor het voeren van een ‘brede maatschappelijke discussie’ over geweld tegen de politie. Zelf deed hij al een suggestie voor een oplossing: volgens hem zou vuurwerk gooien naar agenten structureel gekwalificeerd moeten worden als poging tot doodslag. Zo kan aan mensen die zich hieraan bezondigen een hogere straf worden opgelegd. Dit is een vreemde suggestie. Voor de kwalificatie ‘poging tot doodslag’ speelt een rol waar het opzet van de verdachte op is gericht, de hoedanigheid van het slachtoffer doet niet ter zake.

Toch onderstreept het gegeven dat inmiddels aan deze oplossingsrichting wordt gedacht wel de noodzaak voor een discussie over de strafwaardigheid van (fysiek) geweld tegen agenten, hulpverleners of andere mensen met een publieke taak. Het is niet voor het eerst dat deze discussie wordt gevoerd. In een eerder stadium heeft het OM besloten in beginsel een drie keer zo hoge straf te eisen indien sprake is van (fysiek) geweld tegen een ‘ambtenaar of andere gezagsfunctionaris’ (zie bijv. de richtlijn strafvordering mishandeling 2015R009 en de richtlijn strafvordering bedreiging 2015R058). Hoewel in de literatuur is betoogd dat deze strafverhogingen ‘te ver zijn doorgeschoten’ (Pemberton & Bosmans, DD 2013), laat het pleidooi van Akerboom zien dat de discussie hiermee nog altijd niet afdoende is gepacificeerd – maar eerder uit de hand is gelopen.

Wat ons betreft zou een eerste stap naar een zinvolle discussie zijn om helderheid te krijgen over de groep waar het om gaat. Waar het Akerboom om medewerkers van de politie te doen is, reppen de ter zake relevante richtlijnen over ‘ambtenaren of andere gezagsfunctionarissen’, terwijl in het normale spraakgebruik veelal wordt geschermd met het melioratief ‘hulpverleners’. Deze woorden hebben elk duidelijk een eigen bereik. De politie is vanzelfsprekend een engere categorie dan waar de richtlijn nu van uitgaat, de aanduiding ‘ambtenaren en andere gezagsfunctionarissen’ omvat immers ook conducteurs, baliemedewerkers van de gemeente en wat dies meer zij. En wie zijn eigenlijk hulpverleners? Als hulpverlener lijken in elk geval te kwalificeren ambulancemedewerkers, brandweerlieden en – onder omstandigheden – politieagenten. Onder omstandigheden, omdat op grond van artikel 3 jo. artikel 11 en 12 Politiewet de taak van de politie in drie delen uiteen valt: het handhaven van de openbare orde, het handhaven van de strafrechtelijke rechtsorde en, ten slotte, het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Er zijn op voorhand dus in elk geval twee mogelijkheden om tegen de discussie aan te kijken: een eerste optie is om, in aansluiting op het normaal spraakgebruik, de nu bestaande strafverhoging te beperken tot hulpverleners in de enge zin des woords. Hier lijkt wel wat voor te zeggen. Waar het handhaven van de (strafrechtelijke) rechtsorde impliceert dat de politie met geweld te maken kan krijgen, doet de hoedanigheid van hulpverlener dit niet. In situaties waarin geweld plaatsvindt of dreigt zal de politie als eerste in stelling worden gebracht om dit te bezweren. Wanneer dit optreden niet stante pede effect sorteert en de politie zelf een schram overhoudt aan de onverkwikkelijkheden, lijkt ons dit toch van een wezenlijk andere orde dan wanneer de politie acteert in een hulpverleningssituatie en vervolgens zelf het doelwit wordt. In dat laatste geval wordt bovendien niet slechts de (lichamelijke) integriteit van de politie aangetast, maar ook de hulpverlening aan een kennelijk hulpbehoevende gefrustreerd. Voor de goede orde: in beide gevallen geldt dat aan hen die zich schuldig maken aan geweld tegen agenten een strafrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Maar de mate van strafwaardigheid lijkt ons te verschillen.

Een tweede optie zou zijn om de huidige richtlijnen als uitgangspunt te nemen en de strafverzwaring onder alle omstandigheden op agenten van toepassing te achten, evenals dus op andere ambtenaren en gezagsfunctionarissen. In dat geval zou het de discussie vooruithelpen als de term ‘hulpverlener’ in het vervolg niet meer inflatoir zou worden gebruikt. Inhoudelijk lijkt ons, als die optie zou worden verkozen, de vraag gerechtvaardigd of het juist is om voor deze groep een strafverdriedubbelaar te reserveren, terwijl andere groepen in het geheel niet extra worden beschermd. Wat bijvoorbeeld te denken van journalisten? Zij kwalificeren weliswaar niet als ambtenaar, maar vervullen toch zeker wel een belangrijke publieke taak en ontmoeten daarbij meer dan eens geweld en bedreiging. Als de voorkeur uitgaat naar de laatste optie, lijkt meer differentiatie in elk geval gewenst.

1017_omslagproduct

 

 

Dit redactioneel van Lucas Noyon & Olivier Oost is verschenen in Ars Aequi oktober 2017.