Eerder dit jaar deed emeritus hoogleraar migratierecht Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira aangifte tegen de voltallige Hoge Raad. De aangifte volgde op een scherp debat in de literatuur over de wijze van raadkameren bij ons hoogste rechtscollege (Snijders, NJB 2016/948; d’Oliveira, NJB 2016/1474 en 2016/1758; Hofhuis, NJB 2016/1757 en Feteris, NJB 2016/1759). Uitspraken van de Hoge Raad worden gewezen door een combinatie van drie of vijf raadsheren (‘de zetel’, art. 75 lid 2 en 3 Wet RO; art. 21 lid 2 sub c Sv). De overige leden van de kamer (de ‘reservisten’) nemen in de raadkamer deel aan de beraadslaging. Volgens Jessurun d’Oliveira omvat die praktijk een stelselmatige schending van het geheim van de raadkamer (art. 7 lid 3 Wet RO), en daarmee een schending van het ambtsgeheim (art. 272 Sr).

De Hoge Raad laat in een verklaring naar aanleiding van de aangifte weten dat de reservisten met het oog op het bewaken van de consistentie en rechtseenheid deelnemen aan de beraadslaging. Maarten Feteris, president van de Hoge Raad, zegt hierover in een interview van 4 april 2017 met Mr.: ‘Als we onderling niet afstemmen, en niet van elkaar weten wat we doen, bestaat het risico dat dezelfde kamer in de ene samenstelling de ene beslissing neemt, en in een andere samenstelling de volgende maand een andere beslissing.’ Verder zou er een goede regeling zijn om te voorkomen dat een raadsheer meebeslist in een zaak waarbij hij betrokkenheid heeft, door bijvoorbeeld familiebetrekkingen met (een advocaat van) een van de partijen. In zo’n geval neemt die raadsheer geen deel aan de beraadslaging. Dit laatste is niet wettelijk geregeld, maar vindt steun in de ‘Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak’ en vloeit volgens Feteris ‘logisch voort uit de eis dat rechtspraak onpartijdig dient te zijn’.

De argumentatie van Feteris bevreemdt. De werkwijze van de Hoge Raad lijkt in het licht van het recht op wraking problematisch. Op grond van artikel 36 Rv, 512 Sv en 8:15 Awb kan op verzoek van een partij in het geding elk van de rechters die de zaak behandelt, gewraakt worden op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Maar wie ‘behandelen’ de zaken bij de Hoge Raad? Ook de reservisten? De wet biedt daar geen uitsluitsel over en het Wrakingsprotocol van de Hoge Raad gaat hier niet op in (Snijders, NJB 2016/948). Dat is problematisch, nu reservisten ook een zekere invloed hebben op de uitkomst van een zaak waarin zij meeraadkameren. Een oplossing is dan ook noodzakelijk.

In dit kader kan gedacht worden aan raadkameren zonder toelating van reservisten. De Hoge Raad lijkt al voldoende geëquipeerd om de rechtseenheid te waarborgen, met de beschikking over een wetenschappelijk bureau en de conclusies van de advocaten-generaal. Voor zover de Hoge Raad meent dat dit niet voldoende is, kan rechtseenheid ook gewaarborgd worden door gebruikmaking van een periodiek overleg tussen raadsheren waarin – zonder behandeling van concrete geschillen – rechtsontwikkeling en -eenheid centraal staat. Indien de Hoge Raad toch wenst vast te houden aan zijn beleid, zou wraking van reservisten in ieder geval mogelijk moeten zijn. Hiervoor is noodzakelijk dat partijen weten wie in hun zaak meebeslissen, zodat zij ook de reservisten kunnen wraken. Het verdient dan ook aanbeveling de wet en het Wrakingsprotocol te verduidelijken. De Hoge Raad zal in plaats van stoeltjes, alle zeiltjes moeten bijzetten.

0917_omslagproduct

 

Dit redactioneel van Pjotr Broere & Marlou Overheul is verschenen in Ars Aequi september 2017.