A en B hebben al sinds langere tijd ruzie. A lijdt onder de roddels en gemene verhalen die B over haar verspreidt, onder andere op het schoolplein, op de skatebaan en in de nagelstudio. Na een jaar van conflict vindt de zus van A het ‘welletjes’ en brengt rauwelijks een dagvaarding uit aan B, waarin zij een ‘spreekverbod’ vordert. De voorzieningenrechter stelt vast dat A zelf geen partij is bij het geding (ECLI:NL:RBHAA:2010:BM8466). Bovendien is het hem volstrekt onduidelijk welke feiten een toewijzing van de vordering rechtvaardigen, nog daargelaten wat het gevorderde spreekverbod eigenlijk inhoudt. De dagvaarding bevat ook geen grondslag van de vordering. Ter zitting voert de advocaat van de zus de onrechtmatige daad aan als grondslag, maar onderbouwt dit niet. Hij brengt tot slot geen enkel bewijsstuk in het geding (r.o. 4). Niet alleen wijst de voorzieningenrechter het gevorderde spreekverbod af, maar hij vermeldt in zijn vonnis tevens dat hij een kopie ervan zal toesturen aan onder meer de deken om hem ‘te informeren over de wijze waarop in de onderhavige zaak […] aan [eiseres’] zijde is geprocedeerd’ (r.o. 6).

Dergelijke openlijke terechtwijzingen door een rechter over de wijze van procederen zijn zeer zeldzaam. Wanneer een rechter met een slecht presterende advocaat wordt geconfronteerd, staan hem echter ook andere opties ter beschikking. Zo kan hij besluiten een tuchtrechtelijke klacht in te dienen. Rechters zetten ook dit zware middel zelden in (H.F.M. Hofhuis, in: Tuchtrecht, Den Haag: BJu 2009, p. 24-25). Gebruikelijker is dat een rechter naar zijn president stapt, die vervolgens de advocaat signaleert in zijn reguliere overleg met de deken. Vroeger maakten rechters ook van deze mogelijkheid terughoudend gebruik (NRC 17 mei 2008), mede omdat zij vreesden dat ‘informele’ signaleringen toch tot een specifieke zaak – en daarmee tot henzelf – te herleiden zouden zijn (J.H. van Dam-Lely, in: Tuchtrecht, Den Haag: BJu 2009, p. 49). Dat zou toekomstige zaken met de desbetreffende advocaat kunnen bemoeilijken. In aanloop naar de Wet positie en toezicht advocatuur (Stb. 2014, 354) kwam een discussie op gang over de rol van de rechter bij het toezicht op de advocatuur, en mede vanwege een motie (Kamerstukken II 2013/14, 32382, 28) van toenmalig Kamerlid Van der Steur zijn zulke signaleringen sindsdien toegenomen. Uit tuchtzaken blijkt dat ze een opmaat kunnen zijn voor een dekenklacht (zie bijv. ECLI:NL:TADRSHE:2015:224, ECLI:NL:TADRAMS:2016:7).

Bij het onder de aandacht brengen van slecht presterende advocaten, op welke wijze dan ook, opereert de rechter in een spanningsveld. Een rechter moet zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid ten opzichte van de procespartijen waarborgen. Een melding over een advocaat die raakt aan de inhoud van het geschil doet daaraan mogelijk afbreuk. Bovendien moeten partijen en hun advocaten zich vrij voelen om hun geschillen voor te leggen aan de rechter en de ruimte krijgen hun eigen processtrategie te bepalen, hoe beroerd deze ook mag lijken (vgl. Hofhuis 2009, p. 24-25). Toch is het de rechter die bij uitstek zicht heeft op de inhoudelijke kwaliteit van een procedure. Partijen zelf kunnen niet altijd de misslagen van hun advocaat herkennen en de wederpartij heeft er niet altijd belang bij ze aan te kaarten (vgl. Van Dam-Lely 2009, p. 49 en Hofhuis 2009, p. 24-25).

Een rechter bevindt zich daardoor in een unieke positie om slecht presterende advocaten te signaleren bij de deken en zo een bijdrage te leveren aan de kwaliteitsbewaking van de advocatuur. Zulke meldingen moeten over het algemeen dan ook worden toegejuicht. Een lastige vraag is wanneer een advocaat het dusdanig bont maakt dat de rechter aan de bel moet trekken. Terughoudendheid is gepast, maar ernstige inhoudelijke misslagen zou een rechter onder de aandacht moeten kunnen brengen.

Niet minder ingewikkeld is vervolgens de vraag hoe hij dat moet doen. De informele signalering aan de president is naar onze mening de meest geëigende weg, maar deze route is nog in nevelen gehuld. Het is onduidelijk hoe vaak en op welke wijze rechters momenteel slecht presterende advocaten signaleren bij hun president. Cijfers zijn niet voorhanden, voorbeelden uit de jurisprudentie zijn schaars en er zijn ook geen openbare richtlijnen voor rechters over het signaleren van advocaten. Naar onze mening is hier een belangrijke stap te zetten. In lijn met de algemene ontwikkeling naar een transparanter advocatentuchtrecht (zie L.E. de Groot-van Leeuwen, AA 2016, p. 528 (AA20160528)), is meer openheid over de huidige signaleringsfunctie van de rechterlijke macht wenselijk, zodat de discussie over de gewenste invulling ervan op gang kan komen.

0517_omslagproduct

 

Dit redactioneel van Thijs Beumers & Friso van de Pol is verschenen in Ars Aequi mei 2017.