Brachycefaal obstructief syndroom, degeneratieve myelopathie en heupdysplasie. Enkele termen die de gemiddelde jurist waarschijnlijk niet veel zeggen. Dat zou anders kunnen zijn indien u in het bezit bent van een trouwe viervoeter. De termen zijn namelijk benamingen van enkele veelvoorkomende ziektes bij (ras)honden. Door het fokbeleid dat malafide hondenfokkers hanteren, is het uiterlijk van veel honden in de loop der jaren drastisch veranderd. Zo heeft een mopshond tegenwoordig bijna geen snuit meer en is de rug van een teckel een stuk langer. Deze veranderingen gaan ten koste van de gezondheid van deze honden: mopshonden hebben vaker ademhalingsproblemen en teckels raken sneller verlamd. Volgens de Stichting Dier&Recht lijdt maar liefst 40 procent van de rashonden aan een erfelijke ziekte. Dit moet veranderen. Maar hoe?

Een middel om het dierenwelzijn effectiever te beschermen zou een verlaagde drempel voor contractuele aansprakelijkheid van fokkers kunnen zijn. Deze oplossing kan via het consumentenrecht worden bereikt. Ingevolge artikel 7:18 lid 2 BW geldt dat een zaak wordt vermoed bij aflevering niet aan de overeenkomst te beantwoorden, indien de afwijking zich binnen een termijn van zes maanden heeft geopenbaard. Dit vermoeden geeft de consument een gunstige bewijspositie tegenover de verkoper. Krachtens artikel 3:2a jo. 7:18 lid 2 BW kan een consument die een hond bij een professionele fokker heeft gekocht een beroep doen op dit bewijsvermoeden. In sommige gevallen zal dit uitkomst bieden: de fokker zal niet kunnen aantonen dat het gebrek aan de hond zich pas na aflevering heeft voorgedaan en zal daarom worden veroordeeld tot herstel of vervanging ex artikel 7:21 lid 1 BW. In andere situaties biedt deze consumentenbeschermende bepaling echter geen oplossing, bijvoorbeeld indien de ziekte van de hond zich pas na een jaar voordoet.

Gezien het toenemende aantal erfelijke ziekten waaraan dieren als gevolg van het huidige fokbeleid lijden, is een verlenging van de zesmaandentermijn bij dieren het overwegen waard. Sommige erfelijke ziekten openbaren zich namelijk pas als de termijn van zes maanden is verstreken en voor consumenten is het bovendien moeilijk erfelijke aandoeningen snel te herkennen. Zo uit de ziekte syringomyelie zich voornamelijk doordat de hond na beweging met het hoofd tussen de beide voorpoten op de grond gaat liggen of door krabben aan de hals. Dat deze symptomen worden veroorzaakt door holtes in het ruggenmerg die het gevolg zijn van een te kleine schedel, ligt niet voor iedere hondenbezitter voor de hand. Ook als de dierenarts door de hondenbezitter op de klachten wordt gewezen, is de ziekte vaak moeilijk te ontdekken, omdat de pijn onregelmatig optreedt.

De bewijsproblemen die zich hier voordoen, zouden gedeeltelijk kunnen worden weggenomen door de zesmaandentermijn bij dieren te verlengen. Het verlengen van de termijn zou een afschrikwekkende werking voor fokkers kunnen hebben. Er zullen immers meer consumenten zijn die een gang naar de rechter willen wagen, omdat zij zich niet meer genoodzaakt zien om een dure deskundige in te schakelen die de erfelijke ziekte aan kan tonen. Wellicht zullen fokkers hierdoor hun fokbeleid aanpassen, wat zal bijdragen aan de gezondheid van de dieren. Met deze oplossing slaat men twee vliegen in één klap: de consument wordt beschermd en de afschrikwekkende werking van de maatregel kan het dierenwelzijn verbeteren.

Wat ons betreft is het duidelijk dat er iets moet worden gedaan om de misstanden in de fokkerij tegen te gaan. Een langer bewijsvermoeden voor dieren dan voor zaken kan hier een oplossing bieden. Dieren zijn immers geen zaken.

0317_omslagproduct

 

 

Dit redactioneel van Lisa Münchow & Joyce Duin is verschenen in Ars Aequi maart 2017.