Op 1 november jongstleden casseerde de Hoge Raad een arrest van het Amsterdamse gerechtshof waarin de ‘dynamische verkeerscontrole’ onrechtmatig was bevonden (ECLI:NL:HR:2016:2454). Aan­leiding was een controle waarbij een auto door de politie was stilgezet en de inzittenden op de mouw was gespeld dat zij werden onderworpen aan een routinematige verkeerscontrole.

Bij dynamische verkeerscontroles is de ‘verkeerscontrole’ een façade. Voorafgaand aan het moment van stilzetten wordt de auto enige tijd gevolgd met een niet als zodanig herkenbare politieauto. In­tussen zetten andere agenten op de route een fuik op die slechts oogt als een routinecontrole. De reden hiervoor is dat de politie de inzittenden in verband brengt met strafbare feiten. De geveinsde verkeers­controle dient als voorwendsel om informatie te verzamelen, bijvoorbeeld door te kijken wie zich in de auto bevinden en, indien de inzittenden toestemming geven, de auto te doorzoeken en de inzittenden te fouilleren. Het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden, waarmee onder omstandigheden hetzelfde bereikt kan worden, wordt zo veel mogelijk achterwege gelaten. Hiermee zou de politie immers te kennen geven dat zij een verdenking koestert. Een belangrijke reden voor deze aanpak is juist om dit te verhullen.

De grondslag voor dynamische verkeerscontroles zoekt de politie in artikel 160 Wegenverkeerswet (WVW). Dit artikel geeft echter geen onbeperkte vrijheid om auto’s aan de kant te zetten; volgens vaste jurisprudentie is sprake van détournement de pouvoir indien deze bevoegdheid uitsluitend wordt aan­gewend voor een ander doel dan controle op de naleving van de Wegenverkeerswet (vgl. NJ 1958/351). Dit criterium laat niettemin ruimte om de bevoegdheid mede in te zetten voor een strafvorderlijk doel. De vraag is dus wanneer bij bepaald politieoptreden nog mede sprake is van controle op naleving van de Wegenverkeerswet. In een eerder arrest heeft de Hoge Raad niet aan een materiële toetsing van deze vraag gewild. Zodra bij een verkeerscontrole gevraagd is om het rijbewijs, kan wat de Hoge Raad betreft al worden aangenomen dat mede sprake is van een verkeerscontrole (ECLI:NL:HR:2006:AY9670). Aldus is een betrekkelijk formele vuistregel tot stand gekomen: nadat om het rijbewijs is gevraagd, kunnen agenten zonder scrupules overgaan op strafvorderlijk onderzoek. Indien agenten nalaten om het rijbewijs te vragen, is al snel sprake van misbruik van bevoegdheid (vgl. ECLI:NL:GHSGR:2011:BT2705). Op de ruimte die deze formele benadering laat voor politieoptreden dat materieel niet aan de doelen van de Wegenverkeerswet raakt, parasiteert de dynamische verkeerscontrole.

Nu de politie zo het onderste uit de kan had willen halen, zag het hof zich in deze zaak gesteld voor de vraag of nog in gemoede kon worden vastgehouden aan de formele invulling van détournement, of dat de politie het deksel op de neus verdiende. Het hof besloot het laatste. Een omstandigheid die hierbij in het bijzonder tegen ‘s hofs borst leek te zijn gestuit, was de grootschalige trucage. Niet alleen ten overstaan van de inzittenden van de stilgezette auto voerde de politie een act op, ook de rechter was een illusie voorgespiegeld. Pas in hoger beroep kwam de aap uit de mouw: bij de verhoren door de raadsheer-commissaris deden de betrokken agenten de ware aard van hun optreden uit de doeken. Tevens kwam pas toen het zogenaamde ‘Blauwe Boekje’ boven tafel, het epistel waarmee de agenten die de dynamische verkeerscontroles uitvoeren worden geïnstrueerd hoe zij tussen de klippen van détournement de pouvoir kunnen laveren.

Maar op instemming van de Hoge Raad kon het hof dus niet rekenen. Het is een uitspraak die om meerdere redenen teleurstelt. Allereerst is het bezwaarlijk te aanvaarden dat de puur formele benadering van détournement toereikend is in situaties waarin er in materiële zin zo evident geen sprake is van het inzetten van bevoegdheden mede met het oog op naleving van de Wegenverkeerswet. Dat het bij dynamische verkeerscontroles nooit om de naleving van de Wegenverkeerswet te doen is, hebben de agenten bij de voornoemde verhoren overigens ook onomwonden onderkend. Voorts bevreemdt de luchtigheid waarmee de Hoge Raad in het arrest stelt dat het ‘aanknopen van een gesprek’ moet kunnen. Het lijkt te miskennen dat het hier gaat om het inzetten van een bevoegdheid, waaraan een burger zich niet kan onttrekken zonder een strafbaar feit te begaan (art. 177 WVW). Bovendien geeft de heimelijkheid waarmee de dynamische verkeerscontrole is omgeven geen pas bij het inzetten van controlebevoegdheden, noch overigens bij het aanknopen van een goed gesprek. Ten slotte blijft het moeilijk te aanvaarden dat een geschiedenis waarin opsporingsambtenaren een schijnwerkelijkheid voorschotelden aan de rechter, door de Hoge Raad met de mantel der liefde wordt bedekt.

0217_omslagproduct

 

Dit redactioneel van Lucas Noyon & Leon Trapman is verschenen in Ars Aequi februari 2017.