Volwassen kinderen dragen in Duitsland bij aan het levensonderhoud van hun ouders. Wie ouders heeft die niet meer geheel voor zichzelf kunnen zorgen, betaalt een maandelijkse bijdrage waarvan de hoogte afhangt van het eigen inkomen (§ 1601 BGB). Vanaf de jaren vijftig raakte deze onderhoudsplicht in de vergetelheid, overbodig als ze was door de opkomende welvaartsstaat en dito pensioen­voorzieningen (zie A.-L. Lemmerz, ‘Elternunterhalt zwischen Familiarisierung und Sozialisierung’, DNotZ 2014, p. 500).

Eind jaren negentig bliezen creatieve overheidsjuristen echter het stof van het Elternunterhalt om de stijgende zorgkosten te beteugelen. Via de onderhoudsplicht kan de overheid namelijk de kosten van verzorging en verpleging verhalen op de kinderen. De overheid neemt dan regres in de aanspraak die de ouder heeft jegens het onderhoudsplichtige kind (§ 94 Sozialgesetzbuch XII). Zo draait niet alleen de Staat op voor de kosten, maar moet ook het kind een deel van de rekening betalen. Deze vorm van solidariteit tussen generaties strekt ver: ze kan maandelijks enkele honderden euro’s bedragen, bestaat tot aan de dood en geldt evengoed voor het kind wiens ouder al jarenlang elk contact weigert (BGH 12 februari 2014, NJW 2014, 1177). Slechts in uitzonderlijke situaties is er reden tot matiging (§ 1611 I BGB), bijvoorbeeld wanneer de ouder in het verleden zelf zijn onderhoudsplicht jegens het kind heeft verzaakt of er sprake is geweest van seksueel misbruik.

De Duitse wetgever van 1900 zag de onderhoudsplicht als een vanzelfsprekende zedelijke plicht. Een volwassen kind is zijn ouders de liefde en toewijding verschuldigd die hij zelf in zijn kinderjaren heeft genoten. Grondslag voor de onderhoudsplicht is niet de autonomie, maar uitsluitend de afstamming. Geliefd is de onderhoudsplicht niet. Om de kosten te drukken ‘exporteren’ sommige kinderen hun ouders naar goedkope verzorgingshuizen in het Oostblok of Thailand. Naar verluidt proberen enkelen zich zelfs door een derde te laten adopteren om zo van ‘dure ouders’ af te komen (B. Glatzel, ‘Elternunterhalt – Schreckgespenst für Kinder!?’, NZS 2016, p. 220).

Ook het Nederlandse familierecht kent een onderhoudsplicht van het kind jegens zijn ouder. Artikel 1:392 lid 1 sub b BW voorziet daarin, voor het geval de ouder de kosten van zijn levensonderhoud zelf niet kan dragen (lid 2). Wel is de eventuele (ex-)echtgenoot van de ouder eerst onderhoudsplichtig (lid 3). Deze plicht is bij de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek onderwerp van hevig debat geweest. Volgens critici paste zij – wij schrijven de jaren vijftig – slecht in de rechtsorde. Zij zagen de armenzorg bovendien als overheidstaak (zie Parl. Gesch. Boek 1, p. 719-767 en G.E. Langemeijer, ‘De alimentatie in het ontwerp van een Burgerlijk Wetboek’, NJB 1955, p. 349-356). Waar de weder­zijdse onderhoudsverplichtingen tussen kleinkinderen en grootouders alsmede tussen broers en zussen sneuvelden, bleef de onderhoudsplicht van kinderen niettemin nipt overeind. Vandaag de dag leidt zij een sluimerend bestaan (vgl. J. de Boer, Asser 1* Personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2010, nr. 1029, 1089).

Doet Nederland er goed aan de onderhoudsplicht van kinderen jegens hun ouders eveneens nieuw leven in te blazen? Blijkens een recent CBS-onderzoek vindt een meerderheid van de Nederlanders dat volwassen kinderen moeten bijspringen wanneer hun ouders het financieel niet meer kunnen bolwerken (Saskia te Riele & Rianne Kloosterman, ‘Familiesolidariteit: hulp aan ouders en kinderen’, CBS 2015/17). Er is dus enig draagvlak. Niettemin lijkt een dergelijke onderhoudsplicht ons allerminst wenselijk. Kinderen kiezen hun ouders niet. Het is willekeurig om de kosten van armlastige ouders neer te leggen bij hun kinderen en de kinderen van welvarende ouders te ontzien. Dat lijkt ook niet bevorderlijk voor de toch al haperende sociale mobiliteit (vgl. De Volkskrant, 13 april 2016). Zoals het Duitse voorbeeld laat zien, is het bovendien naïef om te verwachten dat ieder kind – zeker wanneer hij uit een minder harmonieus en gelukkig gezin komt – bereid is diep in de buidel te tasten voor zijn ouders. Uit hetzelfde CBS-onderzoek blijkt weliswaar dat een meerderheid van de kinderen het beste met zijn ouders voorheeft, maar het gevaar van willekeur en ongelijkheid ligt op de loer voor de ouder die – om welke reden dan ook – niet zulke opofferingsgezinde kinderen heeft. Verplichte gezinssolidariteit van kinderen past niet in een moderne verzorgingsstaat. Naar ons idee doet de wetgever er dan ook goed aan de onderhoudsplicht van artikel 1:392 lid 1 sub b BW alsnog te schrappen.

1116_omslagproduct

 

Dit redactioneel van Thijs Beumers & Koen van Vught is verschenen in Ars Aequi november 2016.