0916_omslagnieuwsbriefIn maart van dit jaar maakte de Rechtbank Den Haag bekend dat bij het samenstellen van de behandelend kamer in de zaak-Wilders II specifiek is gezocht naar ‘apolitieke’ rechters: rechters die geen lid zijn (geweest) van een politieke partij. Deze handelwijze valt op het eerste gezicht toe te juichen: de rechtbank geeft er zo toch blijk van werk te maken van een onpartijdige behandeling? Toch werd zij vanuit verschillende hoeken bekritiseerd. Critici wijzen erop dat de rechtbank door enkel ‘apolitieke’ rechters te selecteren een verkeerd signaal afgeeft; een signaal dat bovendien verder reikt dan alleen de onderhavige zaak. De rechtbank maakt immers een nadrukkelijk onderscheid tussen rechters met en zonder partijlidmaatschap. Daar gaat de suggestie van uit dat de eerstgenoemde groep vanwege zijn politieke voorkeuren niet in staat zou zijn een onpartijdig en onafhankelijk oordeel te vellen.
Hoewel partijlidmaatschap van rechters in sommige landen aan banden is gelegd, legt de Nederlandse wet hen nauwelijks een strobreed in de weg. De lijst van wettelijke incompatibiliteiten in de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) en de Wet op de rechterlijke organisatie is summier en sluit zelfs een Kamerlidmaatschap niet uit, zoals artikel 57 Gw wel doet voor leden van de Hoge Raad en de Raad van State. Wel stelt artikel 44, vierde lid, Wrra de algemene eis dat de rechter – kort gezegd – geen betrekkingen vervult die (het vertrouwen in) zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid schaden. De Rechterscode van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak ontraadt in dit verband de rechter een functie als volksvertegenwoordiger te aanvaarden, maar noemt het tegelijkertijd een vanzelfsprekendheid dat het lidmaatschap van een politieke partij aan de rechter vrijstaat. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens lijkt niet snel aan te nemen dat een politieke achtergrond de onpartijdigheid aantast (zie bijvoorbeeld EHRM 22 juni 2004, NJ 2005/114 en EHRM 26 november 2015, 4184/15).
De keuze voor ‘apolitieke’ rechters was dus geen juridische noodzaak. Toch is het wel begrijpelijk dat de rechtbank in dit geval niet langs de ondergrens heeft willen scheren. Het proces tegen Wilders geniet grote belangstelling onder media en publiek. Zoals in het verleden al bleek, deinst de PVV-voorman er niet voor terug om in stevige bewoordingen de onpartijdigheid van de rechter in twijfel te trekken. Dit proces gaat bovendien over een politieke uitspraak van een bekend politicus. In een dergelijk geval ligt het verwijt van politiek gekleurde rechtspraak al snel op de loer.
De keerzijde weegt onzes inziens echter zwaarder. Deze gang van zaken kan de onterechte suggestie wekken dat de politieke opvattingen van de rechter al spoedig een bedreiging vormen voor een eerlijke juridische oordeelsvorming. Selectie op basis van het criterium partijlidmaatschap biedt verder slechts een schijnzekerheid. Dat een rechter er zoals ieder ander mens persoonlijke (politieke) opvattingen op nahoudt, is onvermijdelijk en dat geldt evengoed voor de rechter die geen partijlid is. Bovendien dringt zich de vervolgvraag op of in andere gevallen niet eenzelfde benadering moet worden gevolgd. Had bijvoorbeeld in de strafzaak tegen oud-wethouder Van Rey een apolitieke rechtbank moeten optreden? Mag een rechter die actief is in een kerkgenootschap niet oordelen over een zaak waarin de godsdienstvrijheid aan de orde is? Een dergelijke koers, waarin de enkele associatie met een bepaalde groep een vermoeden van vooringenomenheid schept, zou de rechter kunnen ontmoedigen om maatschappelijk actief te zijn, terwijl van hem juist een grote mate van maatschappelijke betrokkenheid wordt verlangd.
Los van de vraag of het wenselijk is om dergelijke overwegingen bij de zaaktoedeling een rol te laten spelen, kan men zich afvragen waarom de Rechtbank Den Haag het geraden vond om uitdrukkelijk te wijzen op de apolitieke samenstelling van de kamer. Zij had immers ook partijloze rechters op de zaak kunnen zetten zonder daar expliciet de aandacht op te vestigen. Ook dan worden in dit bijzondere geval mogelijke twijfels over de objectiviteit weggenomen, echter zonder een kiem voor precedentwerking te planten. Terughoudend zijn met openheid over de details van de zaaktoedeling is wellicht geen slecht idee. De rechtbank moet ervoor instaan dat de rechters die zij op een zaak zet onpartijdig en onafhankelijk zijn, maar zou niet naar buiten toe moeten hoeven uitleggen waarom dat in een concreet geval zo is. Wie dat telkens ter discussie stelt, draagt niet uit dat de objectiviteit van de rechter iets is waar je op kunt vertrouwen.

Dit redactioneel van  Joyce Duin en Pim Wissink is verschenen in Ars Aequi september 2016