Op 24 november deed de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak (ECLI:NL:RBNNE:2015:5389) in een strafzaak tegen een ex-militair die ervan werd verdacht samen met zijn broer twee gewelddadige roofovervallen te hebben gepleegd, waarbij drie slachtoffers om het leven kwamen. De rechtbank achtte tweemaal moord en eenmaal doodslag bewezen. De dader pleegde de misdrijven uitsluitend voor financieel gewin en was volledig toerekeningsvatbaar. Het Openbaar Ministerie had een levenslange gevangenisstraf dan ook een passende sanctie geleken. De verdachte betoogde dat de levenslange gevangenisstraf zoals die is vormgegeven in Nederland in strijd is met artikel 3 EVRM: het verbod op een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

In Vinter t. Verenigde Koninkrijk (EHRM 2013/254) en later in Murray t. Nederland (EHRM 2014/74) besliste het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat een levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM, zolang de straf niet ‘irreducible’ is en de veroordeelde een ‘prospect of release’ houdt. Een levenslange gevangenisstraf is niet strijdig met het EVRM, mits het de jure en de facto mogelijk is dat de veroordeelde na enige tijd voor vervroegde vrijlating in aanmerking komt (Kafkaris t. Cyprus, EHRM 2008/52).

De jure bestaat deze mogelijkheid in Nederland: iedere gevangene kan op grond van artikel 2 Gratiewet gedurende zijn celstraf een gratieverzoek indienen bij de Minister van Justitie. Het probleem zit in de feitelijke mogelijkheid tot vervroegde vrijlating, aldus de Rechtbank Noord-Nederland. Sinds 1986 is slechts eenmaal een gratieverzoek van een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde toegewezen. Gezien dit vooruitzicht achtte de rechtbank de huidige Nederlandse levenslange gevangenisstraf in strijd met artikel 3 EVRM en legde deze dan ook niet op. Dit vonnis lijkt opmerkelijk in het licht van een in 2009 gewezen arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2009:BF3741), waarin nog werd beslist dat het opleggen van deze straf wel door de mensenrechtelijke beugel kon. Echter, dit arrest – van vóór Vinter – was destijds al omstreden en verschillende rechtsgeleerden, onder wie advocaat-generaal Knigge, hadden hun bedenkingen bij de feitelijke mogelijkheid tot vervroegde vrijlating. Een maand na het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland legde een andere rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2016:132) wel levenslang op aan iemand die met voorbedachte rade twee mensen met vergif om het leven had gebracht. Ook ná Vinter is het dus allerminst een uitgemaakte zaak of het Nederlandse levenslang strijdig is met het EVRM.

Dát een mogelijkheid tot vervroegde vrijlating – de jure én de facto – moet worden geboden, staat juridisch gezien vast. In de samenleving en de politiek blijkt dit echter niet onomstreden te zijn. Er zijn Nederlanders die het opleggen van levenslange gevangenisstraf zonder reëel zicht op vrijlating helemaal geen onmenselijke straf vinden, maar juist passend voor ernstige delicten (getuige de lezersreacties in Trouw, 2 december 2015 en AD, 23 mei 2015). Ook sommige nabestaanden, bijvoorbeeld die van de ex-militair, vinden dat de daders de rest van hun leven opgesloten behoren te blijven (Telegraaf, 5 december 2015 en Trouw, 3 januari 2016). In de Tweede Kamer is hetzelfde sentiment waarneembaar. De meeste fracties lijken vast te houden aan ‘levenslang is levenslang’. Voor een recent voorstel van de PvdA dat voorzag in een periodieke onafhankelijke toetsing was dan ook geen draagvlak. Tot slot huldigden de verantwoordelijke kabinetsleden uit de recente kabinetten openlijk de opvatting dat levenslang betekent dat een veroordeelde tot zijn overlijden vastzit (zie voor een overzicht: NJB 2015, p. 2153).

Met dit vasthouden aan ‘levenslang is levenslang’ schiet Nederland naar onze mening echter niets op. Sinds Vinter is het glashelder dat dit credo uit de gratie is bij het EHRM. Vroeg of laat zal een beleid om gratieverzoeken onverkort af te wijzen, een Straatsburgse reprimande opleveren. Het zou het parlement en de regering sieren als zij het niet laten aankomen op een beschamend arrest van het EHRM, waarin Nederland op de vingers wordt getikt. Bovendien is niemand gebaat bij de huidige juridische onzekerheid over de vraag of Nederland voldoende een feitelijk uitzicht op vervroegde vrijlating biedt. De politiek zou haar aandacht dan ook moeten richten op de vraag hoe het huidige opleggen van levenslang mensenrechtelijk aanvaardbaar kan worden gemaakt. Binnen dit debat is nog genoeg ruimte voor politieke afwegingen, bijvoorbeeld over de vraag of gratieverzoeken door de minister of de rechter moeten worden beoordeeld. De politiek ontkomt er niet aan om, zo nodig met frisse tegenzin en ondanks eventuele maatschappelijke weerstand, zich over deze vragen te buigen en haar verouderde adagium te laten varen.

 

0416_omslagproduct

 

 

Dit redactioneel van Thijs Beumers & Charlotte de Kluiver is verschenen in Ars Aequi april 2016.