De publicatiecultuur in de rechtswetenschap kreeg de afgelopen jaren veel aandacht. De discussie richtte zich op het aantal tijdschriften, de kwaliteit van de artikelen, het onderscheid tussen wetenschappelijke publicaties en vakpublicaties, en de wijze waarop tijdschriftredacties artikelen beoordelen. Onlangs blies Van Gestel het debat nieuw leven in met zijn preadvies voor de Nederlandse Juristen-Vereniging (R.A.J. van Gestel, ‘Kwaliteit van juridische publicaties: Over ranking, peer review, sciëntometrics [sic] en vertrouwen in alternatieve evaluatiemethoden’, in: Kwaliteit als keuze (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 2015-I), Deventer: Kluwer 2015, p. 243-378). Van Gestel stelt dat de rechtswetenschap in staat moet zijn om zowel aan zichzelf als aan de buitenwereld uit te leggen wat zij verstaat onder kwaliteit van juridisch onderzoek en hoe zij beoogt die kwaliteit te waarborgen.

Hij signaleert dat er binnen het Nederlands rechtswetenschappelijk forum nog steeds geen consensus bestaat over de criteria die voor de beoordeling van publicaties moeten gelden. Dit blijkt onder meer uit zijn inventarisatie van de beoordelingsprocedures van verschillende rechtswetenschappelijke tijdschriften, waaronder die van Ars Aequi. Steeds meer tijdschriften zeggen te zijn overgeschakeld op peer review, maar de procedures vertonen onderling grote verschillen (Van Gestel 2015, p. 266-270). Van Gestel roept het rechtswetenschappelijk forum dan ook op ‘niet te berusten in niets doen of [te] vluchten in procedures van peer review, ranking van tijdschriften en bibliometrische citatiemeting’ (Van Gestel 2015, p. 354), maar eerst de discussie aan te gaan over de inhoudelijke kwaliteit van juridische publicaties, om zo tot een eigen systeem van kwaliteitsbeoordeling te komen.

Naar aanleiding van dit preadvies heeft de redactie haar eigen beoordelingsprocedures tegen het licht gehouden. Om te beginnen heeft de redactie besloten de peer review-procedure af te schaffen. De procedure bestond sinds 2010 en stond open voor auteurs wier bijdrage volgens de redactie voor publicatie in aanmerking kwam. De auteur kon er vervolgens voor kiezen om zijn bijdrage te laten beoordelen door twee externe beoordelaars, van wie minimaal één specialist moest zijn op het betreffende vakgebied. De procedure was ‘dubbel blind’: de auteur werd niet geïnformeerd over de namen van de beoordelaars, die op hun beurt niet werden geïnformeerd over de naam van de auteur. Wanneer het advies van deze peer review-commissie positief was, werd het artikel geplaatst met een logo dat aangaf dat het artikel door de peer review-procedure was gekomen.

Gedurende de afgelopen vijf jaar is weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheid van peer review. Omdat de Nederlandse rechtswetenschappelijke wereld relatief klein is, bleek het in die gevallen niet gemakkelijk om beoordelaars te vinden en om hun anonimiteit en die van de auteur te waarborgen. De belangrijkste reden voor de redactie om de peer review-procedure af te schaffen is echter dat er onduidelijkheid is over hoe de wel en niet op deze wijze beoordeelde bijdragen zich tot elkaar verhouden. Is een artikel zonder dit ‘keurmerk’ minder wetenschappelijk? En wat betekent het als een artikel zonder logo wordt geplaatst: heeft de auteur niet voor peer review gekozen, of is het artikel wel gewogen, maar te licht bevonden? De afschaffing van de peer review-procedure doet de vraag rijzen of andere waarborgen nodig zijn naast de toch al grondige kwaliteitstoets die de redactie aanlegt. De redactie kan niet alleen spontaan ingezonden artikelen, maar ook bijdragen die op uitnodiging worden geschreven afwijzen. De redactie heeft deze mogelijkheid vanwege het ruime kopijaanbod, dat door Van Gestel op verschillende plekken als belangrijke factor wordt genoemd om überhaupt te kunnen selecteren op kwaliteit (Van Gestel 2015, p. 273-274, 322, 345, 348).

De redactie ziet echter wel het belang van de discussie over de beoordeling van rechtswetenschappelijk onderzoek. De redactie biedt daarom graag inzicht in de wijze van beoordeling van de haar aangeboden artikelen. Zij heeft op de volgende bladzijden de procedures die zij volgt beschreven, alsmede de criteria die zij bij de beoordeling van kopij hanteert. De redactie hoopt dat het bieden van transparantie niet alleen bijdraagt aan de discussie over de borging van kwaliteit van rechtswetenschappelijk onderzoek, maar ook leidt tot meer duidelijkheid bij auteurs over wat van hen wordt verwacht.

Beoordelingsprocedure en beoordelingskader

Beoordelingsprocedure

Een artikel kan op drie manieren in Ars Aequi verschijnen: er zijn artikelen geschreven door vaste medewerkers (annotatoren en wetgevingsmedewerkers, columnisten en de redactie zelf), artikelen geschreven op uitnodiging en spontaan ingezonden artikelen.

De meeste bijdragen die in Ars Aequi verschijnen zijn geschreven op uitnodiging van de redactie. Afhankelijk van de aard, de complexiteit en het niveau van de bijdrage beoordelen en redigeren meestal drie of vier redacteuren deze artikelen. In het algemeen wordt een bijdrage, naar aanleiding van het commentaar van de redacteuren, ten minste éénmaal aangepast door de auteur alvorens het definitieve artikel in Ars Aequi verschijnt.

Diverse rubrieken staan (deels) ook open voor spontane inzendingen van rechtswetenschappers, praktijkjuristen en rechtenstudenten. In het schema aan het einde van deze bijdrage is aangegeven welke rubrieken dit zijn. Door auteurs uit de wetenschap of de praktijk spontaan ingezonden artikelen worden beoordeeld door een commissie die aansluit bij het rechtsgebied van de bijdrage. Een commissie bestaat doorgaans uit vier of vijf redacteuren. Als de commissie niet tot een eensluidend oordeel kan komen, beoordeelt de gehele redactie het artikel. Spontaan ingezonden artikelen van studenten worden direct beoordeeld door de gehele redactie en plenair besproken. Ook voor spontaan ingezonden artikelen (inclusief studentartikelen) geldt dat deze naar aanleiding van het commentaar van de redacteuren ten minste éénmaal worden aangepast door de auteur alvorens het definitieve artikel in Ars Aequi verschijnt.

Spontaan ingezonden bijdragen (inclusief de studentartikelen) worden blind beoordeeld; de redactie hoort pas na de beoordeling wie de auteur is. Bij artikelen op uitnodiging is dit uiteraard niet mogelijk. De redactie is zich bewust van het feit dat kennis over de auteur van een artikel de beoordeling van dat artikel kan beïnvloeden. In dit verband merken wij nog op dat zowel voor auteurs van spontaan ingezonden artikelen als voor auteurs van artikelen op uitnodiging geldt dat wij vooraf geen plaatsingsgarantie bieden en dat wij voor alle bijdragen hetzelfde beoordelingskader hanteren. De ondergrens die de redactie stelt aan een artikel is dan ook in alle gevallen gelijk.

Dit roept ongetwijfeld vragen op over het door de redactie van Ars Aequi gehanteerde beoordelingskader. Wij lichten dit kader hieronder dan ook graag toe.

Beoordelingskader

Bij het beoordelen van bijdragen weegt de redactie verschillende factoren mee; op welke factoren de nadruk ligt, kan per bijdrage verschillen. Een verdiepende bijdrage zal een zwaardere wetenschappelijke kern moeten bevatten dan bijvoorbeeld een amuse. De hieronder te bespreken factoren vormen niettemin altijd een belangrijke houvast voor de redactie.
Vraagstelling en structuur

Allereerst toetst de redactie of sprake is van een heldere kernvraag of -stelling en of de keuze daarvoor goed is onderbouwd. Het komt regelmatig voor dat in een bijdrage wordt onderzocht of een bepaalde juridische oplossing ‘wenselijk’ zou zijn. Om een dergelijke vraag op een verantwoorde wijze te kunnen beantwoorden, is het noodzakelijk dat een duidelijk en geëxpliciteerd toetsingskader wordt gehanteerd. Voorts is het belangrijk dat het onderzoekskader en de onderzoeksvraag op elkaar aansluiten. In de conclusie moet de auteur antwoord geven op de onderzoeksvraag, ook als tijdens het schrijfproces de focus van de auteur is verschoven.
Argumentatie

Ars Aequi is een algemeen juridisch tijdschrift. Om die reden wordt kennis van een bepaalde niche in het recht niet verondersteld. Alle bijdragen moeten voor een algemeen onderbouwde jurist (masterstudent) begrijpelijk zijn. De argumentatie moet overtuigend en steekhoudend zijn. Algemene regels zijn daarvoor niet te geven: argumentatie is maatwerk. Belangrijk is wel dat de auteur rekenschap geeft van bestaande argumenten (voor én tegen) en zijn eigen argumenten voldoende uitwerkt. Het betreft hierbij kort gezegd de vraag of de gehanteerde argumenten het standpunt kunnen dragen.

Vernieuwing

De bijdrage wordt tevens beoordeeld op originaliteit. De redactie beoordeelt – en aan dit aspect komt aanzienlijk gewicht toe – hoe de bijdrage en in het bijzonder de argumentatie zich verhoudt tot bestaande literatuur en rechtspraak. Dit toetst de redactie op verschillende wijzen, afhankelijk van het soort bijdrage. Een verdiepende bijdrage zal doorgaans een vernieuwend (wetenschappelijk) inzicht moeten opleveren – bijvoorbeeld bestaande uit een voorstel tot wetgeving, inclusief een afweging van de verschillende mogelijkheden. Of een vernieuwende invalshoek door een rechtsvergelijkend onderzoek. Voor opiniërende bijdragen is het voldoende als een vernieuwend argument of perspectief wordt aangedragen. Een goed overzichtsartikel – dat niet beoogt vernieuwend te zijn – kan overigens eveneens voor publicatie in aanmerking komen, bijvoorbeeld als daaraan vanwege de complexiteit van de besproken materie behoefte bestaat. Afwezigheid van een vernieuwende insteek of uitkomst is derhalve niet zonder meer fataal.

Bronnengebruik

Tot slot kijkt de redactie naar het bronnengebruik. Hierbij gaat het niet enkel om het op juiste wijze aanhalen van bronnen; relevant zijn wat de redactie betreft vooral de kwaliteit en relevantie van bronnen en motivering van de keuze om bepaalde bronnen wel en andere niet te gebruiken. Uiteraard staat elke vorm van geconstateerd plagiaat in de weg aan publicatie.

 

0216_RedactioneelSchema

 

0216_omslagproduct

 

 

Dit redactioneel is verschenen in Ars Aequi februari 2016.