Met de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: ‘Wmo 2015’) en de Wet langdurige zorg (hierna: ‘Wlz’) was het de intentie van de wetgever om een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling te scheppen tussen beide domeinen. In beginsel kan iemand dan ook niet gelijktijdig gebruik maken van zorg op grond van de Wmo 2015 als de Wlz. Om goed aan te blijven sluiten bij de rechtspraktijk zijn in de afgelopen jaren verschillende keren veranderingen doorgevoerd in de wet- en regelgeving en in de uitvoering van beide wetten. Ook per 1 januari 2020 is het nodige veranderd in de afbakening tussen beide wetten. Per 1 januari 2020 is namelijk de financiering van hulpmiddelen voor bewoners in Wlz-instellingen aangepast. Bewoners van Wlz-instellingen met en zonder behandeling krijgen (nieuwe) mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen niet meer op grond van de Wmo 2015 maar op grond van de Wlz verstrekt.

In de afbakening tussen de Wmo 2015 en de Wlz blijven echter nog steeds onduidelijkheden bestaan. Een voorbeeld betreft het sociaal vervoer. In het geval een inwoner met een Wlz-indicatie vervoer nodig heeft naar een plaats waar hij of zij gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt valt dit conform artikel 3.1.1  lid 1 sub f van de Wlz onder de reikwijdte van deze wet. Echter, uit de parlementaire geschiedenis volgt dat indien een persoon met een Wlz-indicatie zich op grond van sociale doeleinden (bijvoorbeeld een familiebezoek) wenst te verplaatsen, maar hiervoor niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer, deze persoon aanspraak kan maken op voorzieningen onder de Wmo 2015. De onduidelijkheid hierbij ontstaat doordat tevens uit de wetsgeschiedenis volgt dat het sociaal vervoer door gemeenten ‘altijd’ zal zijn ingericht als algemene voorziening, althans het lijkt erop dat de wetgever hiervan is uitgegaan. Uit de parlementaire geschiedenis volgt: “Zoals hierboven is toegelicht kan iemand in principe niet gelijktijdig gebruik maken van zorg op grond van de Wmo 2015 en de Wlz. Hierop geldt een aantal uitzonderingen. Dit zijn de algemene voorzieningen sociaal vervoer en mantelzorgondersteuning”.

Op grond van het voorgaande kan worden betoogd dat dit betekent dat inwoners met een Wlz-indicatie slechts aanspraak kunnen maken op een ‘algemene voorziening sociaal vervoer’. Hier lijkt ook de VNG vanuit te gaan. Het gevolg van deze redenering is dat indien en voor zover een dergelijke algemene voorziening niet bestaat binnen de gemeente, een inwoner in het geheel geen aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening (maatwerkvoorziening) voor sociale doeleinden.

Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 december 2018 volgt in dat kader: “Voor de onderdelen waarvoor geen recht op zorg bestaat, kan de cliënt een beroep op ondersteuning door de gemeente doen’’.Naar ons oordeel kan een inwoner met een Wlz-indicatie in het geval van sociaal vervoer om die reden wel degelijk aanspraak maken op een vervoersvoorziening voor sociale doeleinden op grond van de Wmo 2015. Een dergelijke voorziening kan namelijk niet worden verkregen op grond van de Wlz.

Kortom, alhoewel de verandering van de financiering van hulpmiddelen voor bewoners van Wlz-instellingen met en zonder behandeling per 1 januari 2020 de ingewikkelde regelgeving omtrent de afbakening tussen de Wmo 2015 en de Wlz enigszins vereenvoudigd, blijven er naar ons oordeel onduidelijkheden bestaan die een nadere toelichting behoeven van de wetgever in het komende jaar.

Bastiaan Wallage en Freek Reijmerink