Een week geleden heeft de Europese rechter duidelijkheid verschaft over de vraag of leges voor het verstrekken van persoonsgegevens terecht is. Met dik € 90  aan verlengingskosten voor paspoort en rijbewijs dit jaar nog in mijn achterhoofd, leek mij dit wel een interessante zaak.

De zaak is een prejudiciële vraag, ingediend door Gerechtshof Den Bosch in oktober 2012. Centraal stond de uitlegging van artikel 12 van richtlijn 95/46/EG [1]:

De Lid-Staten waarborgen elke betrokkene het recht van de voor de verwerking verantwoordelijke te verkrijgen:

a) vrijelijk en zonder beperking, met redelijke tussenpozen en zonder bovenmatige vertraging of kosten:
– uitsluitsel omtrent het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gegevens, alsmede ten minste informatie over de doeleinden van deze verwerkingen, de categorieën gegevens waarop deze verwerkingen betrekking hebben en de ontvangers of categorieën ontvangers aan wie de gegevens worden verstrekt;
– verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt, alsmede de beschikbare informatie over de oorsprong van de gegevens;
– mededeling van de logica die ten grondslag ligt aan de automatische verwerking van hem betreffende gegevens, in elk geval als het gaat om de geautomatiseerde besluiten als bedoeld in artikel 15, lid 1;

b) naar gelang van het geval, de rectificatie, de uitwissing of de afscherming van de gegevens waarvan de verwerking niet overeenstemt met de bepalingen van deze richtlijn, met name op grond van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens;

c) kennisgeving aan derden aan wie de gegevens zijn verstrekt, van elke rectificatie, uitwissing of afscherming, uitgevoerd overeenkomstig punt b), tenzij zulks onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost.

Wat was er aan de hand?
X zat in een procedure dat ging over het betalen van een geldboete voor een verkeersovertreding. Echter, de brieven van de incasso daarover waren niet bij haar aangekomen. Ze waren naar het verkeerde adres gezonden. Daarom vroeg X haar gemeente haar persoonsgegevens over 2008 en 2009 te verstrekken, met haar opeenvolgende adressen. Dit heeft de gemeente gedaan, maar wel voor een bedrag van € 12,80 aan leges.

Hiertegen ging X tevergeefs in beroep. In het hoger beroep bepleitte ze dat ze geen gewaarmerkt afschrift had gevraagd, maar slechts haar persoonsgegevens wilde opvragen.  Dit op basis van de Wet openbaarheid van bestuur. Dan konden haar geen leges worden gevraagd.

De gemeente echter gaf aan dat de persoonsgegevens waarom het in casu ging, alleen konden worden afgegeven door middel van een gewaarmerkt afschrift. Verder zei ze, dat het bij het verstrekken om de voldoening van individuele belangen ging. Dit zoals bedoeld in artikel 229, lid 1, sub b, van de Gemeentewet[2] en dat er dus leges konden worden geheven.

Een belangrijk punt dat de “Bossche’ rechter vaststelde, en later bij het Europese Hof nog aan de orde kwam, was dat volgens hem artikel 12, sub a, van Richtlijn 95/46 op twee manieren worden gelezen:

–        verstrekking van persoonsgegevens dient plaats te vinden zonder bovenmatige (vertraging of) kosten, of
–        verstrekking van persoonsgegevens dient plaats te vinden zonder (bovenmatige vertraging of) kosten.

In de eerste situatie mag er leges worden gevraagd, maar mogen deze niet bovenmatig zijn. In het tweede geval mogen er helemaal geen leges worden gevraagd. En voor dat geval levert de rechter nog een alternatief voor de betaling bij een gewaarmerkt afschrift ( zoals bedoeld in artikel 79, lid 3, van de Wet GBA): inzage via een beeldscherm. Maar dit levert weer andere vraagstukken en nadelen op.

Daarom besloot werd besloten tot de volgende prejudiciële vragen:
1        Wordt voldaan aan de eisen van artikel 12, [sub a,] tweede gedachtestreepje, van    richtlijn
[95/46/EG] door het verlenen van inzage?
2        Sluit dit artikel uit dat er leges worden geheven mbt de verstrekking van persoonsgegevens?
3        Zo nee, is de heffing van €12,80 dan bovenmatig?

Het antwoord
De Europese rechter begint met de tweede vraag. Hierbij verwijst hij naar de opmerkingen die alle regeringen en de Europese Commissie hebben ingediend. Allen zeiden: overheidsinstanties mogen leges vragen voor het verstrekken van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 12. De kosten mogen echter niet bovenmatig zijn.

Ook merkt deze rechter de taalkundige verwarring op die artikel 12 oplevert en waardoor het op twee manieren is op te vatten. Maar met in achtneming van een uniforme toepassing en uitlegging van een Uniehandeling moet het worden uitgelegd naar zowel de bedoeling van de auteur, als zijn nagestreefde doel. Er moet hiervoor worden gekeken naar andere taalversies van deze richtlijn. En daaruit blijkt niet dat de verstrekte gegevens gratis zouden moeten gebeuren.

Het komt er dus op neer dat artikel 12, sub a, van de richtlijn legeskosten voor inzage persoonsgegevens niet verbiedt, noch verplicht. Zolang de kosten maar niet bovenmatig zijn. Antwoord op vraag twee is daarom: artikel 12 sluit leges kosten niet uit.

Maar is de € 12,80 dan bovenmatig? Dat hangt er van af. Bovenmatige kosten zijn dus niet toegestaan. En is aan de staat om te bepalen of de verstrekking tot kosten leidt en of deze dan bovenmatig is. Artikel 12 geeft echter geen criteria om dit te bepalen. Er moet daarom worden gekeken naar het doel van artikel 12 en de doelstelling van de richtlijn. De lidstaten moeten daarbij dus zelf de kosten vaststellen daarbij rekening houdend met het belang van betrokkene bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer aan de ene kant. En aan de andere kant de last van het verstrekken van de informatie door de instantie.

Overigens merkt de rechter wel op dat de kosten geen obstakel mogen zijn voor het recht informatie in te winnen.[3] Deze kosten mogen ook niet hoger zijn dan de kostprijs van het verstrekken van die gegevens. Lager dan de kostprijs mag uiteraard wel.

Dus het antwoord op vraag drie is: de € 12,80 zijn niet bovenmatig, zolang ze niet hoger zijn dan de kostprijs van de gegevens verstrekking. Maar het is aan de nationale rechter om dit te beoordelen.

Al met al hoeft de eerste vraag dan ook niet beantwoord meer te worden. Het werd gesteld voor het geval er geen leges kosten hadden mogen worden gevraagd op grond van artikel 12. En dat mag dus wel.

Paspoort verlengen
Nu ging het in deze zaak vooral over het recht op inzage van persoonsgegevens. Maar ik vraag me nu dus wel af of de ‘niet hoger dan de kostprijs’-regel opgaat voor het verlengen van paspoorten en rijbewijzen. Nu is er wel een maximale prijs voor paspoorten en per januari 2014 voor rijbewijzen. Maar is dit ook de kostprijs?


[1] Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens
[2] Artikel 229 lid 1 sub b Gemeentewet: Rechten kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

[3] Hiervoor verwijst de rechter onder meer naar de punten 2 en 10 van de considerans van richtlijn 95/46 en artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Voor meer blogs, zie https://internationallawandjustice.wordpress.com/