In het museum van bijzondere juridische redeneringen verdient de taalkundige interpretatie een aparte vleugel. De taalkundige interpretatie wordt dagelijks gebruikt, maar ook vaak bekritiseerd. Neem het gebruik van een woordenboek bij het vinden van de ‘taalkundige betekenis’. Als je een ‘romp’ hebt weggemaakt, heb je dan een ‘lijk’ weggemaakt in de zin van artikel 151 Sr?  Ja hoor zegt de rechter, want volgens de Van Dale is een ‘romp’: ‘het lichaam zonder ledematen en hoofd’.1 Discutabel, dat beroep op Van Dale, vinden critici. Ze observeren zelfs regelmatig ‘taalkundige interpretatie-drogredenen’. Is onderzoek ‘aan het lichaam’ ook onderzoek ‘in het lichaam’ in de zin art. 56 lid 1 Sv? Volgens een vertegenwoordiger van het OM wel, kijk maar naar het zinnetje ‘de oude rechter is aan zijn hersens geopereerd’, dat betekent ‘in zijn hoofd’.2

Deze toepassingen van de taalkundige interpretatiemethode blijven natuurlijk niet onopgemerkt. Wij moesten de afgelopen jaren dan ook vaak diagnoses stellen naar aanleiding van deze methode. Hoog tijd voor enige ordening in onze diagnostiek en voor een taxonomie van taalkundige interpretatie – drogredenen. We beginnen met een boude stelling van enkele critici: taalkundige interpretatie is waardeloos.

Die critici beweren dat taalkundige interpretatie niet zinvol is omdat een onduidelijke wettekst niet verhelderd kan worden met een beroep op die tekst. Een variant hierop is de stelling dat de taalkundige of grammaticale interpretatie niets biedt bij interessante kwesties, want als de letter van de wet tot interpretatieproblemen leidt, is een beroep op die letter zinloos.3

Deze kritiek gaat ervan uit dat juristen bij het toepassen van taalkundige interpretatie een beroep doen op de letterlijke en contextloze ‘taalkundige’ betekenis van afzonderlijke begrippen in een rechtsnorm. Soms gebeurt dat inderdaad – wij komen daar in de volgende columns op terug – maar bij een goed gebruik van de taalkundige interpretatiemethode gebeurt dat volgens ons niet. Eigenlijk blijkt dat al heel simpel uit de frase die vaak wordt gebruikt bij het beroep op de taalkundige interpretatiemethode: ‘volgens het normale spraakgebruik’ is een bepaalde interpretatie gerechtvaardigd of niet.

Waarom hanteren juristen dat beroep op het normale spraakgebruik bij de interpretatie van juridische normen? Het antwoord op die vraag is eenvoudig: wetgeving, contracteren en andere juridische handelingen zijn communicatieve handelingen en daarvoor gelden die regels van het normale spraakgebruik.

Wat houden regels van het normale spraakgebruik in en hoe werken ze bij het toekennen van betekenissen? Hoewel we die regels allemaal hanteren, is deze vraag wat lastiger te beantwoorden. Een goed vertrekpunt voor de beantwoording van die vraag is het begrip ‘context’. De minimale context van een begrip in een juridische norm is de zin. Een zin is meer dan de optelsom van losse woorden met een ‘taalkundige’ betekenis. En de zin maakt onderdeel uit van een brede context van communicatie. Die context is niet altijd uitgesproken, maar bepaalt wel de betekenis van de zin. Als je in een restaurant een portie bitterballen vraagt, heeft die zin een duidelijke betekenis, maar wanneer je het aan een priester vraagt tijdens de uitreiking van de hostie, wordt het een heel ander verhaal.

Op grond van de context en de regels voor het normale spraakgebruik kunnen wij betekenis toekennen aan zinnen. Dus ook bij de interpretatie van rechtsnormen spelen die regels een belangrijke rol. Soms kan een discussie eenvoudig worden beslecht met een beroep op die regels. Zo zullen weinig taalgebruikers het eens zijn met de gedachte dat ‘aan het lichaam’ ook ‘in het lichaam’ betekent.

Ook bij lastiger gevallen kan het beroep op het gewone spraakgebruik uitkomst bieden. Een goed voorbeeld daarvan is de zogenaamde ‘implicatieve betekenis’: welke veronderstellingen gelden er bij een uitspraak en welke implicaties volgen eruit? Neem het voorbeeld dat je niet mag verbouwen zonder vergunning. De veronderstelling is dan dat er ook een instantie is die vergunningen kan verlenen. Een ander voorbeeld is de norm dat restaurants schone wc’s moeten hebben. Houdt het restaurant met schone, maar afgesloten wc’s zich aan deze norm? Nee, want de implicatieve betekenis van deze norm is dat de wc’s gebruikt kunnen worden.

De stelling dat de taalkundige interpretatiemethode per definitie waardeloos is, lijkt ons onhoudbaar. Er zijn wel veel discutabele toepassingen van deze methode. Daar zullen we de komende maanden aandacht aan besteden.

1 Hoge Raad van 30 januari 1996, NJ 1996, 263. 2 HR 08-11-1988, ECLI:NL:PHR:1988:AC0609, m.nt. T.M. Schalken. 3 Zie E.T. Feteris, H.T.M. Kloosterhuis, H.J. Plug, J.A. Pontier (red.), Alles afwegende. Nijmegen: Ars Aequi, 2007, p. 239 – 273.

vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com