Onze task force ‘Causaliteit in juridische argumentatie’ boog zich onlangs over een interessant geval van alternatieve causaliteit bij civiele aansprakelijkheid. Het probleem van de alternatieve causaliteit doet zich voor wanneer er voor een gebeurtenis meer oorzaken denkbaar zijn. Dit kan leiden tot causaliteitsonzekerheid en bewijsnood – aandoeningen waarvoor niet altijd een goede therapie is.

Dit was de casus.1 Tijdens een wedstrijd tussen ballonvaarders voeren enkele ballonnen in de nabijheid van het terrein van een papegaaienhouder. Door het lawaai (gasbranders) en de verschijning van een of meer ballonnen, schrokken enkele zeer bijzondere en kostbare papegaaien – twee hyacint ara’s en een geelnek-amazonepop – zich letterlijk dood. Volgens de dierenarts was er sprake van een hartstilstand als gevolg van een acute stressaanval.

Volgens de papegaaienhouder – eiser in de rechtszaak tot schadevergoeding was de dood van de papegaaien het gevolg van het lawaai en de zichtbaarheid van één van de ballonnen: een grote zwarte ballon met het opschrift The Phantom of the Opera. Deze ballon was het meest nabij en maakte veel lawaai met de brander. De aangesproken eigenaar van The Phantom of the Opera betwistte dit: ook andere ballonnen waren in de nabijheid van het terrein van de papegaaienhouder. Ook die ballonnen konden de dood van de papegaaien hebben veroorzaakt.

De vraag die de rechter moest beantwoorden was dus: welke ballon of ballonnen hebben het overlijden van de papegaaien veroorzaakt? Een mooi voorbeeld van het probleem van de alternatieve causaliteit. Over dat onderwerp is veel gepubliceerd. Internationaal bekend is de studie Causation in the Law (1959) van Hart en Honoré. Filosofisch bouwt de theorie voort op het werk van David Hume en John Stuart Mill, die ingingen op het probleem van de noodzakelijke en voldoende voorwaarden bij causaliteit. Belangrijk, want het verwarren van noodzakelijke en voldoende voorwaarden kan leiden tot drogredelijke redeneringen. Wie kennisneemt van de fijnmazige onderscheidingen in deze theorievorming en van het samengaan van conceptuele, logische, empirische en normatieve vragen, ziet hoe interdisciplinair de rechtswetenschap is.

In ons aansprakelijkheidsrecht komt die theorie over causaliteit tot uitdrukking in de twee vragen die centraal staan bij aansprakelijkheidskwesties. In de eerste plaats moet worden vastgesteld of een handeling (of gebeurtenis) een noodzakelijke voorwaarde een condicio sine qua non – is voor het intreden van het gevolg. In dit geval: zouden de papegaaien zijn overleden als de ballon of ballonnen niet waren overgevaren? In de tweede plaats moet beoordeeld worden of de schade in zodanig verband staat met het overvaren dat deze redelijkerwijs als een gevolg daarvan aan een of meer ballonvaarders kan worden toegerekend. De gemiste inkomsten van de papegaaienhouder zijn een duidelijk gevolg, maar of zijn eventuele verdriet smartengeld rechtvaardigt, is de vraag.

In deze zaak ging de discussie over de eerste vraag. Was het overvaren van The Phantom of the Opera een noodzakelijke voorwaarde voor de dood van de papegaaien of niet? Dit roept de theoretische vraag op hoe je zo’n empirische vraag beantwoordt. Je moet de huidige toestand vergelijken met een hypothetische andere situatie. We kunnen het niet testen in een laboratoriumsituatie. Dat lijkt een zwakte van de rechtswetenschap, maar dat is het niet. In een bekend artikel in The British Medical Journal laten de auteurs zien dat er nog nooit een afdoend evidence based bewijs is geleverd voor de hypothese dat parachutes voorkomen dat mensen sterven bij een sprong uit een vliegtuig.2 Voor de gevallen waarbij mensen zonder parachute wel stierven, blijken bij nadere analyse alternatieve verklaringen te zijn.  De methodologische les van dit artikel gaat terug tot een oud inzicht van Aristoteles: bij het beantwoorden van sommige vragen, moeten we genoegen nemen met aannemelijkheid als criterium voor de beoordeling van kennisaanspraken.

Het is precies dit criterium van aannemelijkheid dat centraal staat bij de beoordeling van het condicio sine qua non-verband. Het is aan de eiser in een civiele procedure om dat verband met bewijsmiddelen aannemelijk te maken. En dat deed de eiser in de casus met precieze metingen en berekeningen van de afstanden waarop de ballonnen voorbijvoeren. De rechter behoefde alleen nog maar een conclusie te trekken. En dat gebeurde met een wiskundig bewijs:

‘Onder toepassing van de stelling van Pythagoras (a2 + b2 = c2) kan de conclusie getrokken worden dat de luchtballon van [gedaagde] een afstand tot de papegaaienkooien had van 52,2 meter, de luchtballon van [H] van 358,2 meter en de luchtballon van [J] van 267,7 meter.’

Conclusie: het is aannemelijk dat The Phantom of het Opera de dood van de papegaaien heeft veroorzaakt. Dus: ook een mooi voorbeeld van het ambtshalve aanvullen van rekengronden.

 

 1 ECLI:NL:RBOBR:2020:4243  2 https://www.bmj.com/content/327/7429/1459

vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com