Ruth Bader Ginsburg, de vorige week overleden rechter van het US Supreme Court, was niet alleen scherp maar ook humoristisch. In haar dissenting opinion in de zaak Muscarello v. United States bijvoorbeeld, maakte ze het beroep op literaire bronnen in rechterlijke beslissingen op een leuke manier belachelijk.1

Wat waren de feiten van deze zaak? Frank Muscarello was veroordeeld voor een ‘drug trafficking crime for a person who carries a firearm’. Nu had Muscarello wel een pistool, maar dat zat opgeborgen in een afgesloten dashboardkastje van zijn auto. Het Supreme Court moest oordelen of dit wel tot het wettelijke betekenisbereik van ‘carrying a firearm’ valt. Preciezer gezegd: betekent ‘carrying a firearm’ ook ‘transport a firearm in a vehicle’ of alleen ‘personally bear a firearm’.

Op zoek naar de ordinary meaning  van ‘carrying a firearm’ werden in de majority opinion twee taalkundige argumentaties gebruikt. De eerste argumentatie was gebaseerd op literaire bronnen. Uit de King James Bible, Robinson Crusoe en Moby Dick zou blijken dat de interpretatie ‘transport a firearm in a vehicle’ verdedigbaar is. De tweede taalkundige argumentatie was een beroep op de etymologie van het werkwoord ‘carrying’. Die etymologie wees in dezelfde richting. ‘Carry’ stamt namelijk af van het Oud-Franse ‘carier’ en het laat-Latijnse ‘carricare’ en dat wijst op de betekenis ‘convey in a car’. Dus.

De vraag is natuurlijk of je een empirische vraag naar de ordinary meaning van begrippen op deze anekdotische wijze kunt vaststellen. De kritiek was onverbiddelijk. In reactie op de argumentatie van de majority, gebruikt Ginsburg in haar dissent een mooie retorische strategie: meegaan in de gekozen interpretatiemethode om deze vervolgens onderuit te halen. Literaire bronnen? Prima, betoogt zij, maar andere Bijbelvertalingen en passages uit poëzie wijzen eerder op ‘personally bear a firearm’ –  net als de film The Magnificent Seven en de tv-series MASH en Sesamstraat! Haar logische conclusie is niet dat  ‘personally bear a firearm’ de juiste betekenis is, maar dat deze taalkundige interpretatie met beroep op een paar bronnen geen goede methode is.

Ook de etymologische argumentatie werd ontkracht. Men spreekt in de kritiek over de etymological fallacy, die inhoudt dat je ten onrechte denkt dat je op grond van de etymologie van een woord de ‘ware betekenis’ van het woord kan achterhalen. Als dat zo zou zijn, zou ‘december’ de tiende maand zijn en een ‘anthologie’ zou een boeket bloemen betekenen in plaats van bloemlezing.

De bezwaren van Ginsburg tegen deze taalkundige argumentaties komen terug in de rationale voor het hedendaagse empirisch-semantische onderzoek naar betekenissen van juridische begrippen. De protagonisten van die ‘Empirical Legal Semantics’ onderkennen de methodologische tekortkomingen die uit rechtszaken als de bovenstaande blijken. Ze bepleiten een alternatieve methode die gebruikmaakt van big data en corpusanalyse. In hun analyse van de zaak Muscarello v. United States onderzochten Lee en Mouritsen databases met biljoenen woorden. Als echte empirici verantwoorden ze alles nauwkeurig en zijn ze ook kritisch over hun methoden en resultaten. Hun conclusies formuleren ze voorwaardelijk: indien men ervan uitgaat dat de statistische frequentie een indicatie is van de ordinary meaning, dan kunnen we concluderen dat ‘carrying a firearm’ ‘personally bear a firearm’ betekent.

Het anekdotisch bewijs is zwak als het gaat om het rechtvaardigen van empirische claims over de juiste bepaling van de ordinary meaning, maar als aanvalsstrategie kan dit bewijs overtuigend zijn. Logisch, want voor een falsificatie kan een enkele observatie genoeg zijn, zoals Ginsburg in haar dissent demonstreert. Haar supreme friend  in het hooggerechtshof – Antonin Scalia – maakte ook gebruik van deze methode. Scalia formuleerde het cocktailparty-criterium om de betekenissen van begrippen te toetsen. Als je wilt weten of een bepaalde interpretatie conceptuele onzin is, test je het tijdens een cocktailparty. Als mensen vreemd opkijken weet je dat het niet door de beugel kan. Je zegt bijvoorbeeld: ‘de officier vond dat onderzoek aan het lichaam ook onderzoek in het lichaam betekent; dit zou blijken uit het taalgebruik in de zin ‘’de rechter is aan zijn hersenen geopereerd’’ – dat betekent namelijk in zijn hoofd.’3

1 https://supreme.justia.com/cases/federal/us/524/125/  2 Thomas R. Lee & Stephen C. Mouritsen, ‘Judging Ordinary Meaning’  https://www.yalelawjournal.org/article/judging-ordinary-meaning  3 HR 08-11-1988, ECLI:NL:PHR:1988:AC0609, m.nt. T.M. Schalken

vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com