Volgens de Amerikaanse textualisten moet men bij het interpreteren van de constitutie uitgaan van de betekenis van de tekst en niet van wat deze zou moeten betekenen. Textualisten zetten zich af tegen juristen die de constitutie beschouwen als een living document, dat wil zeggen een tekst die door rechters soms geactualiseerd moet worden. Volgens textualisten leidt dit tot ‘dikastocratische’ interpretaties. Wij denken dat de textualisten graag een beetje overdrijven. De overtuigde textualist Antonin Scalia bijvoorbeeld gebruikt die overdrijving met zichtbaar veel genoegen. Zo beschuldigt hij zijn opponenten van het toepassen van de ought-is fallacy. Wat houdt die drogreden nu weer in? Laten we naar het betoog van Scalia kijken.

In zijn lezing ‘What is our Constitution’ legt Scalia zijn textualistische kaarten direct op tafel.1 Over de betekenis van de constitutie zegt hij het volgende: ‘I’m a textualist and an originalist. I do not believe that its meaning evolves over generations so that to each age it contains everything that’s good and true and beautiful, even though it’s not really written in there. Volgens Scalia was dit lange tijd de heersende leer. De constitutie was een vast fundament met onveranderlijke betekenissen. Wanneer dat problemen opleverde bij de toepassing van de wet – bijvoorbeeld bij de noodzaak tot actualisering – werd er volgens Scalia door de rechter gewoon gezegd: die betekenis had de constitutie altijd al! ‘That was a lie’ vervolgt Scalia, ‘Hypocrisy is the beginning of virtue. Today you do not have to lie about it. You just simply say, “Well, it ought to mean that. And therefore it means that.’

Dit is de ought-is drogreden. Simpel gezegd betekent deze drogreden, die ook wel de moralistische drogreden wordt genoemd, dat je uit een ‘behoren’ een ‘zijn’ afleidt: je beweert dat iets het geval is omdat dit het geval zou moeten zijn. Bij de interpretatie van wetten houdt dit in dat je uit een wenselijke interpretatie een ‘ware’ interpretatie afleidt.

De ought-is drogreden kent, naast deze directe variant, twee andere meer indirecte verschijningsvormen. De eerste vorm is de ad consequentiam. Bij deze drogreden beweer je dat iets niet waar is (of niet waar kan zijn) omdat de aanvaarding van die waarheid onwenselijke consequenties zou hebben. Je betoogt bijvoorbeeld: ‘het kan niet waar zijn dat wij geen vrije wil hebben, want dat maakt het leven voor mij zinloos’. De tweede variant is de ad absurdum redenering, die drogredelijk wordt als de wereld van de feiten met de wereld van de waarden wordt verward. Je betoogt: X is niet waar, want als X waar zou zijn, moeten we Y accepteren en Y is absurd (want onwenselijk).

De ought-is drogreden is de tegenhanger van de veel bekendere is-ought drogreden, ook bekend als de naturalistische drogreden. Bij deze drogreden, die beschreven is door Hume en Moore, gaat men ervan uit dat een ‘behoren’ uit een ‘zijn’ kan worden afgeleid. Volgens Hume en Moore is er een logische kloof tussen ‘zijn’ en ‘behoren’ en leidt het negeren van die kloof tot drogredenen (anderen, zoals  Searle, relativeren deze strikte scheiding).

Terug naar de positie van de textualist Scalia. Volgens zijn textualisme moet je bij de interpretatie uitgaan van de betekenis van een tekst. Tja, wie zou dit ontkennen. Maar wat betekent die tekst dan? En hoe achterhaal je die betekenis? Scalia en Garner onderscheiden in hun boek Reading Law: The Interpretation of Legal Texts maar liefst 57 interpretatiemethoden om tot een ‘objectieve’ interpretatie te komen. Toepassing van die methoden leidt soms tot opmerkelijke resultaten. In de zaak Texas v. Johnson, 491 U.S. 397 (1989) stond de vraag centraal of het verbranden van de Amerikaanse vlag beschermd wordt door het constitutionele recht op vrije meningsuiting. Dit recht is als volgt geformuleerd in het First Amendment: “This Congress shall make no law abridging the freedom of speech or of the press.” Natuurlijk valt het verbranden van de vlag hieronder, betoogt Scalia zelfverzekerd: als de grondwetgever ‘speech and press’ gebruikt, is dit volgens Scalia de stijlfiguur synecdoche: ‘You name a part to represent the whole, as in, “I see a sail.” Speech and press represent expression. That’s the way I read the First Amendment.’

En zo blijkt ook een textualist tot heel wenselijke interpretaties van het recht te komen. Scalia heeft daar natuurlijk een goede verklaring voor: hypocrisy is the beginning of virtue!

 

 1 https://www.acton.org/pub/religion-liberty/volume-26-number-2/what-our-constitution

 vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com