Bij onze inventarisatie van de nieuwe juridische begrippen uit 2019, bespraken wij ook enkele debutanten op het politieke toneel: ‘dikastocraat’, ‘dikastofoob’, ‘regressief-links’ en natuurlijk ‘ok boomer’. Deze nieuwkomers kunnen worden toegevoegd aan het lijstje ‘linkse kerk’, ‘islamofoob’, ‘klimaatontkenner’, ‘cultuurmarxist’, ‘nativist’ enz. Er waren ook bestaande begrippen die een nieuwe betekenis kregen. Zo kwam de socioloog Schinkel – naar het schijnt op grond van wetenschappelijk onderzoek – tot een nieuwe, inclusieve definitie van het begrip ‘fascist’. Hierdoor kun je nu zelfs als D66-er aanspraak maken op deze titel (hoe zou Norbert Elias deze nieuwe definitie als ontwikkeling van het civilisatieproces duiden?).

Wat hebben deze begrippen gemeen? Dit: het zijn bronnen van ad hominem aanvallen, die niet uitnodigen tot discussie, maar een discussie eerder belemmeren. Extreme varianten van deze uitingen wandelen zo nu en dan het recht binnen. De rechter moet dan bepalen of die uitingen beschermd worden door het grondwettelijke recht vrijheid van meningsuiting. Dat dit lastig kan zijn, bleek onlangs uit de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de Rotterdamse APV over straatintimidatie, het zogenaamde ‘Rotterdamse sisverbod’.1 Het hof moest in deze zaak oordelen over de vraag of bepaalde uitingen strafbaar zijn op grond van deze APV. De APV bepaalt: ‘Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.’

Om de vraag naar de strafbaarheid te beantwoorden, moest het hof vaststellen of uitingen als ‘sissen’ worden beschermd door het grondwettelijke recht op vrijheid van meningsuiting. Beperkingen van dat grondrecht mogen immers alleen door de formele wetgever worden geformuleerd en niet in lagere regelingen zoals een APV. Op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad komt het hof tot de conclusie dat uitingen als uitjouwen, aanstootgevende taal bezigen, gebaren maken of gedragingen vertonen, ‘hebben te gelden’ als beschermde uitingen. Om dit nader te ondersteunen, brengt het hof de volgende analogieredenering naar voren:

‘Het hof verwijst in dit verband naar de overwegingen van de regering bij de vernietiging van het vloekverbod van Elburg (KB 5 juni 1986, Vernietiging raadsbesluit Elburg, Stb 1986, 338) waarbij de gevolgtrekking was dat “het vloekend gebruiken van de naam van God of het gebruik van ruwe of onzedelijke taal – daargelaten uiteraard de waarde van dergelijke uitlatingen – in beginsel ook als openbaarmaking van een gedachte of gevoelen is aan te merken”.’

Dit is volgens ons wel een wat merkwaardige analogieredenering. Vloeken lijkt ons op relevante punten onvergelijkbaar met intimiderende uitingen. Het vloeken is immers een uitdrukkende taalhandeling. De communicatieve strekking van zo’n taalhandeling is dat de spreker uiting geeft aan zijn of haar positieve of negatieve gevoelens ten opzichte van een bepaalde stand van zaken. Het interactionele effect van zo’n taalhandeling treedt niet op bij een medemens. Als het vloeken al gericht is, is het gericht tot het Opperwezen. Een vloek als ‘Gvd’ kan hoogstens op indirecte wijze een bedreiging vormen – voor de spreker zelf dan, welteverstaan. En eventueel kan vloeken indirect een belediging zijn, doordat gelovigen het als heiligschennis kunnen opvatten. Sissen is daarentegen een sturende taalhandeling gericht tot iemand anders. De communicatieve strekking daarvan is intimideren met als bedoeld interactioneel effect dat iemand zich bedreigd voelt.

Het is begrijpelijk dat de uitspraak van het hof kritische vragen opriep. De belangrijkste vraag was of we het grondrecht vrijheid van meningsuiting zo ver moeten oprekken, dat deze uitingen toelaatbaar zijn. Het grondrecht wordt ruim opgevat, maar hoe zit het met de grondplichten die voortvloeien uit het tweede gedeelte van de grondwetsbepaling? Men is vrij een mening te uiten ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet’. Dat impliceert simpel gezegd dat men rekening houdt met de wettelijke rechten van anderen. Sommigen benaderden het anders: welk standpunt in welke discussie wordt nu eigenlijk ingenomen door naar iemand te sissen? En hoe zou je moeten reageren in zo’n discussie waarin er naar je wordt gesist? ‘Het beste is terugsissen’, opperde een van onze collega’s. Maar dat werd door anderen afgeraden.

Toen we dit verder analyseerden, werd het een van onze senior fellows te veel. Ze citeerde uit de klassieken: ‘Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het.’ Een junior begreep het niet helemaal: ‘Ok? Verder alles goed, boomer?’

1 ECLI:NL:GHDHA:2019:3293

Vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com