Op 24 september jl. oordeelde het Supreme Court van het Verenigd Koninkrijk over de beslissing van de regering om het parlement te schorsen, de zogeheten prorogation. Volgens het Supreme Court was de prorogation ‘unlawful, null and of no effect’, ‘a blanc piece of paper’.1 Het is een mooi voorbeeld van de intrigerende juridische taalhandeling ‘nietig verklaren’: verklaren dat iets wat leek te bestaan, nooit heeft bestaan. Het oordeel heeft veel stof doen opwaaien. De bekende jurist John Finnis reageerde daags na de uitspraak met een zeer kritische beschouwing.2 Hij opent zijn aanval met een frontale tu quoque-ad hominem-argumentatie: volgens het Supreme Court is deze prorogation in strijd met het beginsel van ‘Parliamentary sovereignty’, maar dat is het oordeel van het Supreme Court volgens Finnis ook! Finnis is in Nederland vooral bekend als een aanhanger van het natuurrechtsdenken, dus iemand die gelooft dat er morele universalia zijn en die ook denkt dat hij de inhoud van die universalia kent. Gelukkig is de argumentatie van Finnis over de prorogation niet natuurrechtelijk, maar juridisch. Daarmee is Finnis ontvankelijk in De Juridische Argumentatiekliniek. Heeft hij gelijk? Laten we eerst kijken naar de feiten van de zaak.

In augustus wilde premier Johnson het parlement, na het zomerreces, vijf weken schorsen. Prorogation is een bevoegdheid van de regering. Van die bevoegdheid wordt vaker gebruik gemaakt, maar zo’n lange schorsing is zeer zeldzaam en zou beargumenteerd moeten worden. Bijzonder gevolg van deze prorogation zou zijn, dat het parlement nog maar twee weken zou hebben om zich uit te spreken over een deal of no-deal Brexit. De vraag over de rechtmatigheid van de prorogation werd daarom aan verschillende rechters voorgelegd. Uiteindelijk deed het Supreme Court uitspraak. Voor degenen die van staatsrechtelijke argumentatie (en van mooi Engels) houden, is de uitspraak de moeite waard. Na een inleidende beschouwing, behandelt het Supreme Court de vraag of de rechter de rechtmatigheid van de prorogation kan toetsen. De tegenargumentatie lijkt erg op Trias-argumentatie van de Nederlandse regering in de Urgenda zaak: gegeven de scheiding van de machten is het niet aan de rechter om een oordeel te vellen over het gebruik van een bevoegdheid door de regering.3 Het Supreme Court oordeelt unaniem dat dit wel degelijk de taak van de rechter is. Bij de inhoudelijke beoordeling hanteert het Supreme Court vervolgens twee fundamentele beginselen van het Britse constitutionele recht. Het eerste beginsel is de ‘sovereignty of Parliament’: het parlement heeft als wetgevende macht de hoogste autoriteit. Dit beginsel zou geschonden worden als de uitvoerende macht deze wetgevende taak met een lange prorogation onmogelijk zou maken. Het tweede beginsel is de ‘Parliamentary accountability’: de uitvoerende macht moet gecontroleerd kunnen worden door het parlement. Ook dit beginsel wordt geschonden door de prorogation. De vraag die overbleef was: heeft de regering een goede reden aangevoerd voor deze ongewoon lange prorogation? Het antwoord is ontnuchterend: het Supreme Court heeft geen reden kunnen ontdekken in de argumentatie van de regering, ‘let alone a good reason’.

Finnis is het hiermee oneens. Er zijn twee hoofdargumenten in zijn betoog te onderscheiden. Het eerste is dat artikel 9 van the Bill of Rights van 1689 de rechter verbiedt om ‘proceedings in Parliament’ te beoordelen. Volgens Finnis was de prorogation ‘self-evidently’ a proceeding in Parliament. Deze redenering lijkt niet erg overtuigend. Bij proceedings in Parliament is het parlement zelf in de besluitvorming betrokken. En dat is bij de prorogation niet het geval, zoals het Supreme Court aangeeft: het parlement heeft hier niets over te zeggen. Het tweede argument is ook geworteld in de geschiedenis: de normen over Parliamentary sovereignty en accountability zijn volgens Finnis traditioneel geen rules, maar conventions en de controle op het naleven van conventions is traditioneel niet rechterlijk, maar politiek (uiteindelijk via verkiezingen). Nu het Supreme Court de toepassing van conventions toetst, handelt het volgens Finnis ‘purely political’. De reden die het Supreme Court aanvoert om toch te toetsen is volgens Finnis het ‘extreem hypothetische’ geval waarin de bevoegdheid tot prorogation wordt misbruikt om te verhinderen dat het parlement zijn werk kan doen. Extreem hypothetisch?

1https://www.supremecourt.uk/cases/docs/uksc-2019-0192-judgment.pdf                   2 https://policyexchange.org.uk/publication/the-unconstitutionality-of-the-supreme-courts-prorogation-judgment/  3 Urgenda en het Triassofisme van de Staat; https://weblogs.arsaequi.nl/denkfouten-en-drogredenen/2018/10/16/55/

Vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com