Vrijdag 28 juni jl. organiseerde de Vereniging voor Media- en Communicatierecht een studiemiddag over beledigingen van politieagenten. Volgens de vereniging legt de vervolging van die beledigingen een zwaar beslag op de rechtspraak, terwijl het soms om futiele kwesties gaat. De Juridische Argumentatiekliniek is het eens met de vereniging: wie kennis neemt van de jurisprudentie over beledigen, ziet veel verloren tijd. Vaak door moedwil, maar nog veel vaker door misverstand – ook als de beledigingen futiel zijn of lijken. In deze column bespreken we enkele van die misverstanden.

Het eerste misverstand is de gedachte dat er een onbeperkt recht op beledigen zou zijn. Dat is niet het geval. Het recht op vrijheid van meningsuiting bestaat, maar dat wordt begrensd door de bescherming van rechten van anderen. De strafrechtelijke sanctie op beledigen is een voorbeeld van die bescherming. Nu zijn er mensen, zelfs juristen, die vinden dat dit onbeperkte recht op beledigen er zou moeten zijn. Want, zo luidt hun redenering, niet alleen de gedachten, maar ook de woorden zijn vrij. Verbaal geweld kan volgens hen blijkbaar geen kwaad en in de vrije markt van ideeën en woorden ontstaat vanzelf een evenwicht. Interessante gedachte, vooral gezien de vele voorbeelden van marktfalen.

De tweede groep misverstanden betreft de vraag welke uitingen beledigend kunnen zijn. Wat is eigenlijk precies een belediging? En welke soorten zijn er? Je zou verwachten dat er in de dogmatiek en de rechtspraak coherente antwoorden zijn op deze vragen. Maar dat valt nogal tegen, zoals wij in onze column van twee maanden geleden lieten zien. Daarin ging het over de lastige ‘indirecte belediging’. Bij die beledigingen zeg je A, maar bedoel je B. Je begroet een agent bijvoorbeeld met de belofte (of het dreigement): ‘Heil Hitler, I‘m gonna fuck you!’ Aangezien de voorwaarden voor de taalhandelingen ‘begroeten’, ‘beloven’ en ‘bedreigen’ niet zijn vervuld, weet de agent dat hier een andere boodschap wordt overgebracht. Een van onze lezers wees ons op een klassiek voorbeeld van zo’n indirecte belediging: een straatagent sommeert je ergens weg te gaan en je reageert met het complimenteuze ‘Jawel mijnheer de commissaris’. De rechtspraak laat zien dat er over dit soort indirecte beledigingen veel onduidelijkheden en misverstanden bestaan.

Hoe verhouden deze indirecte beledigingen zich tot andere beledigingen? Laten we ons eens wagen aan de eerste taxonomie van beledigen. Artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het volgende strafbaar is: ‘Elke opzettelijke belediging […] hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding.’ Bij de toepassing van dit artikel moet de rechter onder andere beoordelen of de woorden, afbeeldingen of feitelijkheden een beledigende betekenis hebben.

Wanneer we beledigen analyseren als een (taal)handeling, kunnen we ten eerste onderscheiden tussen niet handelen en handelen. Voorbeelden van niet handelen zijn het beledigen door te weigeren een hand te geven of door te weigeren op te staan voor een rechter in de rechtszaal. Handelen kunnen we – ten tweede – onderscheiden in niet-verbaal en verbaal handelen. Een voorbeeld van een niet-verbale belediging is het bespugen van een agent. Een grensgeval tussen niet-verbale en verbale beledigingen is het voorbeeld van degene die een stotteraar al stotterend antwoordt. De verbale beledigingen – ten derde – kunnen worden onderscheiden in de directe en de indirecte beledigingen. Directe beledigingen zijn het gebruiken van scheldwoorden als klotewout, pannenkoek, barbiepop, koekenbakker, dropstaaf, klerewijf, kankerhoer, teringlijer. Het beoordelen van deze scheldwoorden loopt nogal uiteen. Dit is natuurlijk mede het gevolg van de context waarin de woorden worden gebruikt.

Bij indirecte beledigingen zeg je letterlijk A, maar bedoel je B en je weet dat de luisteraar weet dat er wordt beledigd. Leuke voorbeelden hiervan vinden we in de jaren ’60 van de vorige eeuw. Tijdens de Vietnam-oorlog beschouwde de Hoge Raad het spandoek ‘Johnson moordenaar’ als een belediging van een bevriend staatshoofd. Dit gold ook voor de variant ‘Johnson molenaar’. De indirecte betekenis daarvan was immers duidelijk. Vervolgens kwam er een demonstrant met de a contrario-variant ‘Johnson is geen molenaar’. Een recente overtreffing hiervan vinden we in de zaak over een spotprent van Ruben Oppenheimer over de advocaat Hiddema. Daarin stond dat Hiddema een louche advocaat is. Oppenheimer moest dit van de rechter rectificeren, waarop Oppenheimer in de rectificatie Hiddema laat zeggen dat hij geen louche advocaat is….1 In De Volkskrant ging de tekenaar Collignon nog een stapje verder. Hij tekende Hiddema met de bekende pijp van Magritte en een variatie op Magrittes onderschrift: ‘Ceci n’est pas une pipe avec un louche avocat nommé Hiddema’.2 Ga daar maar eens tegen procederen!

Ten slotte. Een laatste misverstand kan ontstaan wanneer iemand een persoon probeert te beledigen, maar dat dit niet lukt doordat die persoon de belediging niet snapt. Die onduidelijkheid kan opgelost worden door de communicatieve strekking van de belediging te expliciteren, zodat er een tweede belediging ontstaat. Zoiets als: ‘Hee joh, ik ben je aan het beledigen!’ Deze belediging dopen wij voorlopig als ‘de meta-belediging van de communicatieve strekking’.

1 https://www.villamedia.nl/artikel/hoger-beroep-oppenheimer-op-1-juni

2 https://twitter.com/rloppenheimer/status/530999206807621633

Vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com