De Hoge Raad levert een bewijs uit het ongerijmde tegen de wet! Dat was onze eerste reactie bij de toelichting die de Hoge Raad in het pas verschenen jaarverslag geeft op een van zijn uitspraken.1 Soms, aldus die toelichting, wordt ‘aan de wet een uitleg gegeven die op gespannen voet staat met de wettekst of zelfs met het stelsel van de wet’. In deze zaak heeft de Hoge Raad volgens de toelichting beslist in strijd met de letterlijke lezing van de wet, omdat deze lezing tot ongerijmde gevolgen zou leiden. Maar bij het ontleden van deze uitspraak tijdens onze laatste case law meeting, dachten wij: wat is in deze uitspraak van de Hoge Raad nu het bewijs uit het ongerijmde?

Het bewijs uit het ongerijmde – oftewel ad absurdum argumentatie – is een indirecte vorm van argumentatie. Je verdedigt een standpunt door naar voren te brengen dat een ander – bijvoorbeeld tegengesteld – standpunt onjuist is, omdat dit standpunt tot ongerijmdheden leidt. Bij de argumentatie ter verdediging van een interpretatie van een rechtsregel komt het bewijs uit het ongerijmde neer op het volgende: een bepaalde interpretatie is gerechtvaardigd omdat een andere (bijvoorbeeld tegengestelde) interpretatie ongerijmd is. Die ongerijmdheid is dan bijvoorbeeld een inconsistentie in het recht of een ander onwenselijk gevolg.

Wat vormt in de zaak van de Hoge Raad nu het bewijs uit het ongerijmde? Laten we eerst kijken naar de feiten. Een werknemer wordt op staande voet ontslagen. De werknemer vecht dit ontslag aan en de kantonrechter geeft hem gelijk. Het hof oordeelt echter in hoger beroep dat de werknemer terecht op staande voet is ontslagen. Op grond van de toepasselijke wettelijke bepaling (artikel 7:683 lid 6 BW) wordt de arbeidsovereenkomst pas ontbonden met de beslissing van het hof, en de ontbinding kan volgens die bepaling pas ingaan op een moment na die beslissing. Conclusie: in de periode tussen de uitspraak van de kantonrechter en het hof was er nog steeds sprake van een arbeidsovereenkomst, en behield de werknemer in beginsel recht op doorbetaling van salaris. Maar het hof besluit dat hier de wettelijke bepalingen over ‘geen arbeid, geen loon’ toepasselijk zijn (artikel 7:627 BW jo. Artikel 7:628 lid 1 BW), aangezien de werknemer volgens het hof in de tussenliggende periode niet had gewerkt als gevolg van een reden die niet aan de werkgever kan worden toegerekend (de werknemer had zich wel bereid verklaard om te werken).

In cassatie moest de Hoge Raad oordelen over de vraag of deze beslissing van het hof rechtens juist was. In de kern komt het antwoord van de Hoge Raad erop neer dat het ongerijmd zou zijn dat de werknemer recht zou hebben op salaris, iets wat uit de ‘letterlijke lezing’ van de wet zou volgen. De Hoge Raad beslist dus in strijd met die letterlijke lezing – contra legem. Hierop volgt het interessantste gedeelte van de argumentatie. Volgens de Hoge Raad vloeit uit het systeem van de wet voort dat het hof niet met terugwerkende kracht mag vaststellen dat de arbeidsovereenkomst is ontbonden op het moment dat de werkgever de werknemer ontsloeg, maar dat het hof wél met terugwerkende kracht mag vaststellen dat de werkgever een goede reden had voor het ontslag, dat de werkgever dus een goede reden had om de werknemer geen arbeid te laten verrichten en dat de werkgever niet verplicht kan worden loon door te betalen. Maar is deze interpretatie van de wet niet een beetje ongerijmd? Miskent de Hoge Raad hier niet dat de goede reden voor het ontslag er volgens onze wet pas is met de uitspraak van het hof? Hadden we niet geleerd dat zo’n uitspraak constitutief is?

Dit zijn maar een paar vragen die deze uitspraak oproept. De Hoge Raad levert een demonstratief bewijs van een bekende rechtswetenschappelijke regel: de beantwoording van een juridische vraag leidt er niet toe dat het totaal aantal juridische vragen met één vermindert.

1 https://2018.jaarverslaghogeraad.nl/civiele-zaken/loondoorbetaling-na-ontslag-op-staande-voet/; ECLI:NL:HR:2018:1209

vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com