‘…Of ben je soms een wout?’ Deze vraag stond centraal in een recente uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.1 De kwestie was of deze vraag – ‘wout’ is een scheldwoord voor politieagent – een belediging is. Zoals zo vaak in de beledigingsjurisprudentie gaf dit wat stof tot discussie.

Wanneer is een uiting een belediging? Het korte antwoord is: wanneer iemands eer en goede naam worden aangetast. Maar wanneer is dit het geval? Nu beginnen de problemen pas echt, zo blijkt uit de talloze merkwaardige, zware, maar soms ook wel humoristische beledigingszaken. Aangezien er nogal wat ingewikkelde empirische en normatieve vragen samenkomen bij de rechtsregels over belediging, zijn die problemen begrijpelijk. Vragen over betekenis, intentie, verantwoordelijkheid, causaliteit en gevolgen. Neem het volgende voorbeeld. ‘Heil Hitler, I ‘m gonna fuck you!’, zegt iemand tegen een agent. De rechter moet beoordelen of die woorden een beledigende betekenis hebben, of degene die dit heeft gezegd ook de intentie had om te beledigen of daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden, of er ook een gevolg is opgetreden en of dat gevolg ook redelijkerwijze als ‘beledigd zijn’ kan worden gekwalificeerd.

Uit de beledigingsjurisprudentie blijkt hoe lastig die beoordeling kan zijn. In die jurisprudentie wordt vaak als argumentatie verwezen naar ‘de context’ of naar ‘de omstandigheden van het geval’. Voor de doelen van rechtspraak is dat misschien begrijpelijk, maar theoretisch is het wat onbevredigend. Laten we voor een analyse van het probleem eens wat beter kijken naar het voorbeeld ‘Heil Hitler, I ‘m gonna fuck you!’. ‘Heil Hitler’ zeggen tegen een agent is letterlijk genomen een begroeting en ‘I ‘m gonna fuck you’ is letterlijk een belofte of – subsidiair – een dreigement. Hoe zouden die uitingen beledigend kunnen zijn?

Om dat te begrijpen, moeten we een uitstapje maken naar de taalhandelingstheorie. Volgens die theorie moeten wij bij het interpreteren van taaluitingen een onderscheid maken tussen de inhoud, de strekking en de effecten van taaluitingen. Iemand die in een restaurant tegen de ober zegt ‘een cappuccino alstublieft’, drukt niet alleen een bepaalde inhoud uit, maar geeft de uiting ook de strekking van een bestelling in de hoop dat het effect is dat de ober een cappuccino zal brengen. Zo’n bestelling noemen we een sturende taalhandeling, een taalhandeling die erop is gericht iemand tot iets te bewegen. Naast sturende taalhandelingen doen we nog tal van andere dingen met taal: we beweren, we beloven, we uiten onze gevoelens, we oordelen enz.

Nu is er iets bijzonders aan de hand met sommige taalhandelingen. Sommige taalhandelingen zijn indirect: een spreker zegt letterlijk A en bedoelt B. Die bedoeling B herkennen we meteen doordat de spreker welbewust de voorwaarden voor het uitvoeren van een taalhandeling overtreedt. Een student die zegt dat de colleges van X zo goed zijn omdat de powerpointpresentaties van X altijd zo goed passen bij de kleuren van zijn stropdas, overtreedt bij de taalhandeling argumentatie welbewust de voorwaarde dat men relevante argumenten naar voren moet brengen. De conclusie is dan: dit is ironie!

Die logica blijkt ook duidelijk bij de indirecte beledigingen.2 Iemand die ‘Heil Hitler’ zegt tegen een agent, overtreedt welbewust de voorwaarde van een begroeting dat een degene die begroet wordt prijs stelt op de inhoud van een begroeting. Iemand die tegen een agent zegt ‘I ‘m gonna fuck you’, overtreedt de voorwaarde van de belofte dat de belofte uitvoerbaar is en de voorwaarde dat degene tot wie de belofte is gericht prijs stelt op het beloofde. Ook als dreigement tegen een agent is het een twijfelachtige taalhandeling. De conclusie bij deze taalhandelingen kan dus zijn dat ze weliswaar niet de directe inhoud van een belediging hebben, maar wel de strekking en het effect van een belediging.

Hoe zit het nu met ‘Of ben je soms een wout?’ Letterlijk genomen is dit alleen maar een vraag. Wanneer zou dat nu een belediging kunnen opleveren? Als je die vraag stelt aan een agent in uniform, overtreed je welbewust een van de voorwaarden van de taalhandeling ‘vragen stellen’. Bij het stellen van de vraag is de veronderstelling immers dat het antwoord op de vraag voor de vragensteller onbekend is. In zo’n geval zou je kunnen concluderen dat hier sprake is van een effectieve belediging. Maar dat was in de zaak waarover het Gerechtshof moest oordelen niet het geval. De politie-agent in kwestie was niet geüniformeerd en maakte zich niet als politie-agent kenbaar. Conclusie van het Hof: ‘Of ben je soms een wout?’, kon in dit geval opgevat worden als een echte vraag en daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een belediging.

1 ECLI:NL:GHDHA:2019:295 2 H.T.M. Kloosterhuis (2015). Institutional Constraints of Topical Strategic Maneuvering in Legal Argumentation. The Case of ‘Insulting’. In Thomas Bustamante & Christian Dahlman (Eds.), Argument Types and Fallacies in Legal Argumentation (Law and Philosophy Library, 112) (pp. 67-75). Switzerland: Springer International Publishing.

Vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com