In het laatste nummer van het Netherlands Journal of Legal Philosophy verscheen een interessante kritische bijdrage van Vincent Geeraerts en Wouter Veraart over een nieuw fenomeen in ons recht: het maken van afgedwongen excuses.1 Dit houdt in dat iemand door de rechter wordt gedwongen om verontschuldigingen aan te bieden aan een slachtoffer. Een wonderlijk verschijnsel. Wie zit er nu te wachten op afgedwongen excuses? Het interpreteren en aanvaarden van normale excuses is al moeilijk genoeg, want niets is zo (bewust) ambigu als het taalgebruik bij het aanbieden van excuses.

Maar nu blijkt uit empirisch onderzoek dat slachtoffers baat kunnen hebben bij afgedwongen excuses. Geeraerts en Veraart stellen kritische vragen bij dit onderzoek: is het concept ‘afgedwongen excuses’ wel goed doordacht, wat is de verklaring voor de vastgestelde effectiviteit ervan en past het wel in ons recht? Bij enkele van die vragen heb ik enkele vragen. Volgens Geeraerts en Veraart denken de onderzoekers onvoldoende na over de vraag waarom afgedwongen excuses werken. Geeraerts en Veraart hebben zelf wel een antwoord op die vraag. De afgedwongen excuses werken, zo betogen zij, omdat degenen die ze moeten maken, vernederd worden. Hoe weten Geeraerts en Veraart dat eigenlijk, zou de empirische onderzoeker willen weten. Het antwoord is: op gezag van filosofen die vinden dat afgedwongen excuses vernederend zijn. Tja. Twee vragen. Wat is de waarde van dit gezagsargument? En: stel dat verplichte excuses inderdaad vernederend zijn, moeten wij daar dan uit afleiden dat die vernedering de reden is waarom slachtoffers prijs stellen op afgedwongen excuses? Er zijn alternatieve verklaringen denkbaar, zoals institutionele erkenning van het leed van een slachtoffer.

Het onderliggende probleem – wat doen wij eigenlijk wanneer we onze excuses aanbieden? – kun je goed analyseren met de instrumenten van de Speech Act Theory. Centraal in deze theorie staat de vraag hoe wij met ons taalgebruik handelen. Wij beschrijven niet alleen de wereld om ons heen, wij creëren ook een wereld: wij verklaren, wij beloven, wij verzoeken, wij feliciteren, wij bieden onze excuses aan enzovoorts. Technisch geformuleerd: veel taalgebruik is performatief: door te spreken, handelen we. De verklaringen, beloftes, verzoeken, felicitaties en excuses zijn, als resultaat van ons handelen, objectieve feiten in de wereld. De studie van het performatieve taalgebruik kent een lange traditie – ook in de rechtsfilosofie sinds de contextuele benadering van H.L.A. Hart en anderen.

Het handelingskarakter van taalgebruik komt goed tot uitdrukking in expliciete formuleringen als ‘hierbij verklaar ik u schuldig’, ‘hierbij beloof ik de auto te leveren’ en ‘hierbij verzoek ik een vergunning’. Lang niet al het taalgebruik is performatief. Met de uitspraak ‘hierbij bak ik een ei’ komt er weinig tot stand. Daarnaast gelden er voor het geslaagd uitvoeren van taalhandelingen bepaalde voorwaarden. Voor een schuldigverklaring geldt bijvoorbeeld de voorwaarde dat de spreker een formele bevoegdheid heeft. Voor een geslaagde belofte geldt de veronderstelling van oprechtheid. Dat verklaart dat je ook gehouden kunt worden aan een niet oprechte belofte. Ook geldt de voorwaarde dat je het beloofde kunt nakomen en dat degene aan wie je iets belooft ook prijs stelt op het beloofde. De uiting ‘ik beloof dat ik verliefd op je word’ levert meestal niet echt iets op. En bij de uiting ‘ik beloof dat ik mijn hele leven bij je blijf’, hangt het ervan af tegen wie je dat zegt. Als ik dat tegen mijn geliefde zeg, kan dat een geslaagde belofte zijn. Maar sommige collega’s van mij zullen deze uiting niet ontvangen als een belofte, maar eerder als een andere taalhandeling.

Voor de taalhandeling ‘excuses aanbieden’ gelden ook voorwaarden. Zo geldt er een inhoudelijke ‘ontvankelijkheidsvoorwaarde’. Je kunt bijvoorbeeld niet je excuses aanbieden voor het bestaan van de evolutie. Het excuus ‘sorry dat ik besta’ ontleent zijn ironische effect aan de herkenbare bewuste overtreding van die voorwaarde. Ook voor het aanbieden van excuses geldt de veronderstelling van oprechtheid. Dat verklaart dat ook vrijwillige niet oprechte excuses het beoogde effect kunnen hebben, maar gedwongen niet oprechte excuses niet.2 Want bij gedwongen niet oprechte excuses wordt openlijk erkend dat de veronderstelling van oprechtheid niet geldt. De Amerikaanse Supreme Court rechter Antonin Scalia heeft eens een mooi criterium geformuleerd voor zinvol taalgebruik: het cocktailparty-criterium. Als je wilt weten of een bepaalde uiting geen conceptuele onzin is, test je het tijdens een cocktailparty. Als niemand vreemd opkijkt, kan het door de beugel. Wat zou er gebeuren als iemand – niet al te laat op de avond – zegt ‘hierbij bied ik mijn afgedwongen excuses aan’?

Volgens de Speech Act Theory zijn afgedwongen excuses door het openlijk schenden van de oprechtheidsvoorwaarde nietig. Er wordt door degene die deze excuses maakt helemaal niets in het leven geroepen. Ons recht is minder streng: de afgedwongen excuses zijn vernietigbaar. Een vraag: zou die vernietiging kunnen plaatsvinden met een buitengerechtelijke verklaring of moet het via de rechter?

Vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com

 

1 Vincent Geeraerts en Wouter Veraart, ‘Over verplichte excuses en spreekrecht. Wat is er mis met empirisch-juridisch onderzoek naar slachtoffers?’ Netherlands Journal of Legal Philosophy 2017 (46), 2, 137 – 159.

2 Zie ook de bijdrage van Margreet Luth-Morgan in hetzelfde nummer: M. Luth-Morgan, ‘Sincere Apologies. The Importance of the Offender’s Guilt Feelings.’ Netherlands Journal of Legal Philosophy 2017 (46), 2, 121 – 136. Ook zij verdedigt het belang van de oprechtheidsvoorwaarde voor het maken van excuses.