2013-06-26_Ruggie-UN-Forum

De herziening van de Nederlandse Corporate Governance Code die nu gaande is biedt kansen. Ongetwijfeld zal onder leiding van professor Van Manen stil worden gestaan bij relevante kwesties die spelen tussen de usual suspects: aandeelhouders, bestuurders en commissarissen. De Code is hiervoor bedoeld, de kwesties zijn belangrijk, en een herijking na 8 jaar is toe te juichen. Minder voor de hand liggend is aandacht voor stakeholders die een eindje verder van de beursvennootschappelijke achtertuin leven. De aandacht blijft gewoonlijk uitsluitend gericht op het noordelijk halfrond. Dat hoort anders.

Openheid van zaken. Ook ver van het bed

Betrokkenheid van Europese ondernemingen bij mensenrechtenschendingen zoals de instorting in 2013 van het Rana Plaza in Bangladesh – een gebouw waarin indirecte leveranciers van westerse textielindustrie waren gevestigd – heeft in de media al voor de nodige opschudding gezorgd. Dit is vertaald in verschillende pogingen van gouvernementele en non-gouvernementele organisaties om mensenrechten in de supply chain van wereldwijd opererende vennootschappen veilig te stellen. De meest recente stap op dit gebied is de Europese non-financial disclosure-richtlijn. De Richtlijn verplicht grote ondernemingen (>500 werknemers) om in hun jaarverslag melding te maken van de omgang met mensenrechten in en rond de vennootschap.

Dat vennootschappen mensenrechten hebben te respecteren is wereldwijd op de kaart gezet toen de VN het ‘Protect, Respect and Remedy framework’, opgesteld onder leiding van professor John Ruggie, in 2008 publiceerde. Dit brede raamwerk werd in 2011 verscherpt door de UN Guiding Principles on Business and Human Rights: een instrument met best practice-bepalingen voor vennootschappen op het gebied van mensenrechten. Met het nieuwe Europese verslagleggingsregime lijkt een stap te zijn gezet om deze Guiding Principles tanden te geven: mensenrechten dienen een plaats te krijgen vóór de implementatiedeadline van 2017.

Een veelgenoemd nadeel van de Guiding Principles is de brede, veelomvattende redactie: de bepalingen zijn zo generiek, dat iedere PR-stagiair van een willekeurig Brits-Nederlands olieconcern ermee uit de voeten kan. Gelukkig doorzag de eerdergenoemde professor Ruggie dit, en komt hij in de loop van dit en volgend jaar samen met accountantsfirma Mazars met een praktisch hanteerbare en overzichtelijke leidraad op het gebied van zowel verslaglegging als assurance. Een slag minder gelukkig is dat deze ontwikkelingen niet zijn terug te vinden in de Richtlijn (die dateert van 2014). Ook is het bepaald niet bevorderlijk dat diezelfde richtlijn maar in zeer beperkte mate de ruimte laat om op lidstaatniveau deze lacunes te dichten.

Grote beloftes, grote gaten

Op het eerste gezicht lijkt de Richtlijn veel te bieden. Volgens de Commissie zal het non-financial disclosure regime op wel 6.000 (!) grote Europese ondernemingen van toepassing zijn. Helaas lijkt de Brusselse compromisbereidheid deze imposante beloftes op essentiële punten lek te prikken. De grootste zwakke plekken in dit verband zijn (i) een gebrek aan harmonisatie op het gebied van geïntegreerde verslaglegging en assurance, en (ii) een overdaad aan mogelijkheden voor vennootschappen om af te wijken van de in de Richtlijn vervatte verslagleggingsregels. Zoals ik in mijn recente artikel in European Company Law uitleg, zorgt met name dit laatste ervoor dat nationale wetgevers machteloos staan. Omdat de Richtlijn uitdrukkelijk vastlegt dat vennootschappen – en dus niet lidstaten – vrij zijn een toepasselijk reporting framework (zoals de Guiding Principles) naar eigen inzicht te kiezen, is het voor lidstaten niet mogelijk van deze dwingend opgelegde flexibiliteit af te wijken. Betekent dit dat op lidstaat-niveau niets meer kan gebeuren? Integendeel.

Een rol voor de Code?

Juist omdat de Richtlijn de lidstaten aan banden legt met het oog op flexibiliteit voor vennootschappen, bestaat er een reguleringsinstrument dat zich bij uitstek leent voor de integratie van de UN Guiding Principles on Business and Human Rights in nationale governancestelsels: de Corporate Governance Code. De Code is hét instrument waarin mensenrechtenrapportage naar het wereldwijd geaccepteerde model van de VN kan worden opgenomen zonder dat wordt ingedruist tegen het rigide Europese kader. Allereerst is de karakteristieke comply-or-explain systematiek flexibel genoeg om tegemoet te komen aan de ratio van de richtlijn. Ten tweede bestaan in de bruikbare output van professor Ruggie handzame kaders om bij aan te sluiten. En ten derde biedt het toenemende sociaal verantwoordelijke klimaat onder westerse kapitaalverschaffers en contractspartijen een keur aan private actoren die mensenrechtenverslaglegging ten volle kunnen gebruiken.

De Europese Unie heeft de deur op een kier gezet. Het is aan de Commissie Van Manen om zich hier doorheen te wurmen.

Het artikel ‘The Role of the EU Directive on Non-financial Disclosure in Human Rights Reporting’, ook verschenen in European Company Law, is te raadplegen via http://ssrn.com/abstract=2659519.