Hermogenianus heette vermoedelijk Aurelius van zijn voornaam. Hij leefde aan het einde van de derde en het begin van de vierde eeuw. Hij vervulde een scharnierfunctie in de route die het Romeinse recht aflegde van een door rechterlijke uitspraken en gelegenheidswetgeving gedomineerd landschap, naar de veel strakker geordende en gestructureerde codificatiecultuur: van common law naar civil law zogezegd. Belangrijk in deze ontwikkeling was de vastlegging van het praetorische edict door Salvius Julianus rond 135. Zij betekende een verdere versteviging van de greep van de keizer op de rechtsontwikkeling. Er was daarom een groeiende behoefte aan overzichten van wat de opeenvolgende keizers in aan hen voorgelegde zaken allemaal geoordeeld hadden. Hermogenianus stond middenin deze ontwikkeling. Hij werkte in de negentiger jaren van de derde eeuw in de kanselarij van keizer Diocletianus (regeerjaren: 284-305) – die overigens, en dit geheel terzijde, wel de enige Romeinse keizer zal zijn geweest die met prepensioen ging om zich te wijden aan zijn hobby, het telen van verschillende soorten kool. Diocletianus’ topjuristen legden de belangrijkste keizerlijke uitspraken vast vanaf de tijd van de vaststelling van het Eeuwig Edict tot de zijne. Ene Gregorianus nam de tijd tussen de vastlegging van het Eeuwig Edict en grofweg 290 voor zijn rekening, Hermogenianus stelde een verzameling samen van beslissingen die de keizerlijke kanselarij in latere jaren nam. Deze beide niet overgeleverde collecties staan bekend als de Codex Gregorianus en Hermogenianus. Het waren in meer dan één opzicht baanbrekende projecten: zij vormden het afscheid van de praktijk van vastlegging van juridische geschriften in losse rollen (die telkens afgerold moesten worden, vgl. de ‘scroll’-knop op de computer), naar een techniek waarin verschillende geschriften werden samengebald tussen één kaft van boomschors (codex). Zo kon de justitiabele gemakkelijk heen en weer bladerend opzoeken hoe het keizerlijk recht in elkaar stak en onnodige en kostbare procedures voorkomen. De beide codices vormden bovendien het voorbeeld voor en de opmaat tot latere, verstrekkendere initiatieven van keizers om álle keizerlijke recht in wetgeving vast te leggen (te codificeren).

Daarnaast schreef Hermogenianus een geschrift van zes delen over wat bekend kwam te staan als het juristenrecht (ius). Hij volgde in deze Iuris Epitomae (letterlijk: uitsnijdsels van het recht) natuurlijk de volgorde van het onveranderlijke praetorische edict. Alhoewel de meeste van de teksten in de Digesten genomen werden uit de werken van juristen die 80 jaar voor Hermogenianus leefden, kwamen er toch nog ruim 100 fragmenten van Hermogenianus in terecht. Veel van die fragmenten betreffen de positie van de fiscus in allerlei insolventierechtelijke zaken. Daar herkent men zijn achtergrond als hoge keizerlijke ambtenaar. Maar Hermogenianus ging leerstellige detailkwesties evenmin uit de weg. Zo is van hem de regel dat wanneer de vervreemder en de verkrijger de leveringsformaliteiten bij een verkoop achterwege lieten, de res mancipi werd vormloos geleverd door bezitsverschaffing, de verkrijger zich niet alleen tegen de revindicatie van de vervreemder kon wapenen met een aan de koop ontleend verweermiddel, maar ook tegen opvolgers van de vervreemder met wie hij geen contractuele band had (D. 21,3,3,1). Hoe te handelen wanneer de vestiging van een recht van overpad door A ten behoeve van B mislukt door een fout van de notaris en A de onbezwaarde eigendom na zes jaar overdraagt aan C? Kan C van B vorderen dat B de inbreuken op C’s eigendom staakt? Hermogenianus zou het wel weten.

Bovendien staat in een Digestentekst van Hermogenianus een belangrijke boodschap voor alle juristen, misschien wel het meest voor diegenen werkzaam aan een academie. Ik sluit er dit huldeblijk voor Hermogenianus mee af. Het recht is niet als de wiskunde een logisch en onveranderlijk geheel van regels en begrippen, maar bestaat omwille van de mens. In de woorden van Suijling: ‘Het recht bestaat niet om zijns zelfs wil; het heeft de mens in zijn handel en wandel te dienen.’ In die van Hermogenianus (D. 1,5,2):

Hominum causa omne ius constitutum

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi april 2022.