Ruim een derde van alle in de Digesten opgenomen fragmenten is van de hand van Domitius Ulpianus. Het zijn er maar liefst 2462. Ulpianus leefde in dezelfde tijd als Paulus en iets later dan Papinianus. Hij zal geboren zijn zo rond het jaar 160. In een van zijn teksten noemt hij de schitterende kolonie Tyrus in Phoenicisch Syrië (tegenwoordig gelegen in Libanon) zijn thuisstad. Vooral ten tijde van de regering van keizer Caracalla (keizer tussen 211 en 217) legde Ulpianus een enorme activiteit als jurist aan de dag. Hij schreef zich de vingers blauw en bestreek in zijn geschriften het Romeinse recht in al zijn breedte. Dat hield er vermoedelijk verband mee dat Caracalla in 212 aan min of meer alle vrije inwoners van het reusachtige rijk het Romeinse burgerschap gaf, zodat het Romeinse recht nu voor zovelen het geldende recht was (en er bovendien veel meer belasting kon worden geïnd). Ulpianus wilde dat recht vastleggen. Hij maakte er een zo scherp mogelijke foto van, een beetje zoals het Rijksmuseum onlangs deed met de Nachtwacht. Later had Ulpianus nog een carrière met hoge pieken en diepe dalen in het bestuur van het rijk. Onder de jonge keizer Severus Alexander was hij eventjes de machtigste man van het imperium. De elite van het leger, de praetoriaanse garde, vergaf Ulpianus zijn pogingen een einde te maken aan hun bevoorrechte positie echter niet, en enkele van deze elite­soldaten vermoordden Ulpianus in het bijzijn van de machteloze keizer in het jaar 223 van de moderne jaartelling.

De aantrekkingskracht van Ulpianus’ juridische nalatenschap ligt er niet zozeer in dat hij nieuwe spitsvondige argumenten gaf of moeilijke redeneringen optuigde, maar dat hij kraakhelder weergaf hoe het recht in elkaar stak. Ulpianus was geen Eggens, maar meer een Pitlo. Hij citeerde veel en gaf dan aan wie het bij het juiste eind had. Ulpianus had een bondige stijl, hij zocht steeds naar een kernachtige en daardoor krachtige verwoording en ging daarbij ‘sweeping statements’ niet uit de weg: eigendom heeft met bezit niets gemeen (nihil commune habet proprietas cum possessione), niemand wordt geacht eigenaar te zijn van zijn ledematen, dominus membrorum suorum nemo videtur). Als de bewaargever een zaak aan de bewaarnemer verkoopt en haar bij hem achterlaat, geldt zij als geleverd (= de levering traditio brevi manu van 3:115 sub b). Van Ulpianus zijn ook veel uitlegregels opgenomen in de Digesten: komt in een tekst de uitdrukking ‘als iemand’ ‘si quis’ voor, dan omvat dat zowel mannen als vrouwen. Eveneens van Ulpianus afkomstig is het zogenoemde generische Maskulinum: zegt een wettekst hij, dan is daarmee doorgaans op beide geslachten gedoeld. Degene die artikel 6:162 BW leest, zal het belang van zulke regels erkennen. Dat het nu allicht tijd is om voortaan te gaan voor het generische Femininum of Neutrum, doet natuurlijk niet af aan het tijdloze belang van Ulpiaanse uitlegregels.

Ulpianus is de auteur op wie vele van de adagia en definities van het Romeinse recht teruggaan. Een paar voorbeelden: het sluiten van een huwelijk geschiedt door wilsovereenstemming en niet door bijslaap (met in het Latijn de alliteratie concubitus en consensus). Ook de beroemde opsomming van de drievuldige voorschriften van het recht, de iuris praecepta, is van Ulpianus. Voor de lezer die ze even vergeten was: eerbaar leven, de ander niet benadelen en ieder het zijne toedelen (honeste vivere, alterum non laedere, suum cuique tribuere). De beroemdste slagzin van Ulpianus is ongetwijfeld de regel dat niemand meer recht aan een ander kan overdragen dan hijzelf zou hebben, nemo plus iuris ad alium transferre potest quam ipse haberet (= art. 3:84 BW). Er zullen wel heel weinig goederenrechtelijke handboeken zijn die deze regel niet noemen. Ulpianus was kortom een wetgevingsjurist avant-la-lettre en hij wordt daarom niet alleen met een standbeeld geëerd in zijn thuisstad Tyrus, maar ook op allerlei plekken in Europa, het werelddeel waarheen hij – net als de naamgeefster ervan – vertrok vanuit de Oriënt.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi februari 2022.