Sextus Pomponius is één van de wat minder bekende Romeinse juristen met een desondanks betrekkelijk grote invloed. Hij behoorde niet tot de kopgroep van de vijf auteurs wier geschriften in de citeerwet uit de 5e eeuw tot exclusieve bron van het juristenrecht werden verheven (dat waren Papinianus, Paulus, Gaius, Ulpianus en Modestinus). De rechter diende volgens die wet eenvoudigweg te bekijken wat de meerderheid van deze vijf vond en moest bij een gelijkspel Papinianus volgen. Bood dat allemaal geen uitkomst, dan mocht hij zelf een opvatting kiezen. Toch betekende deze Lex citandi niet dat er een einde kwam aan de invloed van andere juristen zoals Pomponius. De citeerwet stelde namelijk dat geschriften die de vijf noemden gezag hadden als daarvan maar betrouwbare exemplaren bestonden. Pomponius behoorde tot de groep van juristen van wie de werken veelvuldig werden aangehaald. Hij zou in het moderne academische bedrijf hoge citatie-scores halen. Daarenboven noemden de Big Five vaak niet alleen werken van anderen, maar bespraken zij ook dikwijls opvattingen van anderen. Vooral Ulpianus, de auteur van wie de meeste geschriften zijn opgenomen in de Digesten, haalde vaak concurring opinions van Pomponius aan. Zo kwam aan zulke aangehaalde opvattingen allicht ook gewicht toe bij de optelregel van de Lex citandi. Wat hier van zij: in de codificatie van het juristenrecht in de Digesten komen maar liefst 585 teksten van Pomponius voor. Wie was deze man?

Pomponius leefde in de tweede eeuw, iets voor de Grote Vijf. Hem viel niet de eer ten deel van de vervulling van hoge juridische ambten. Hij was wat wij nu zouden noemen een academicus: hij gaf les en hij schreef. Bijzonder aan Pomponius is dat hij historische interesse voor de ontwikkeling van het Romeinse recht aan de dag legde. Hij schreef een beknopt overzicht van het Romeinse recht, een enchiridion, letterlijk vertaald ‘iets in de hand’ (van de Griekse woorden έν: in en χειρ: hand, de voorloper van ons handboek). In Pomponius’ werkje kwamen uitvoerige historische passages voor over de verschillende rechtsbronnen in het Romeinse Rijk, de verschillende ambten en de beroemde juristen. Deze passages zijn allemaal opgenomen in de tweede titel van het eerste boek van de Digesten, en vormen een belangrijke bron op dit weerbarstige terrein. Pomponius was, in de woorden van Fritz Schulz, de eerste rechtshistoricus.

Daarnaast schreef Pomponius uitvoerige commentaren over van alles en nog wat: hij was een generalist. Aan het gegeven dat hij in zijn teksten aandacht had voor het verleden, argumenten voor en tegen gaf, en opsomde wat er in een bepaalde casus allemaal mogelijk was, herkent men zijn academische achtergrond. Zo besprak Pomponius in D. 13,7,3 het geval waarin een vuistpandgever met de vuistpandhouder afsprak de schuld bij hem thuis te komen betalen, het pand daar terugkreeg om het vervolgens uit het raam te gooien naar een wachtende handlanger, om zich vliegensvlug uit de voeten te maken. Zo’n machtsherkrijging was uiteraard geen afstand van het pandrecht, zodat de aansprakelijkheid uit de pandovereenkomst bleef bestaan. De vuistpandgever maakte zich bovendien schuldig aan diefstal van zijn eigen zaak, en het pandrecht bleef bestaan zodat de pandhouder om afgifte kon vragen met de actio ad exhibendum en de actio Serviana. De Nederlandse jurist die artikel 3:258 BW moet uitleggen, kan met de Pomponius-tekst zijn voordeel doen. Dat artikel wekt de onjuiste suggestie dat de vuistpandgever die de zaak afpakt van de vuistpandhouder daarmee het einde van het pandrecht bewerkstelligt.

Het gaat misschien wat ver te pleiten voor een standbeeld voor Pomponius zoals men van de grote vijf wel beelden aantreft bij de gebouwen van Europa’s hoogste civiele rechters, bijvoorbeeld bij de Italiaanse Corta di Cassazione en ook in het Brusselse Paleis van Justitie. Een bescheidener eerbetoon in de vorm van deze column (ontleend aan het Latijnse woord voor zuil) is welzeker op zijn plaats.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi december 2021.