Generaties studenten hebben voor Romeins recht tentamenvragen gekregen waar Aulus, Blasius en Claudius in voorkomen. Behalve als er sprake is van een diefstal, want dan heet de bedrieglijke rover opeens Bulla. Deze inside joke heeft een vrij simpele reden. Bulla Felix (‘geluksamulet’) is na Spartacus zo’n beetje de bekendste bandiet uit de oudheid. Rond 205-207 na Christus was hij met een bende van 600 vogelvrije volgelingen actief in Ligurië, het gebied rond Genua. Zoals dat in verhalen gaat, beroofde hij de rijken (want waarom van de armen stelen?) en wist hij uit handen van justitie te blijven door lokale loyaliteit te kopen met een strategie van herverdeling. Regelmatig vermomde hij zich als een Romeinse magistraat. Robin Hood, Zorro, Arsène Lupin of vroege maffia? Hoe dan ook onttrok Bulla zich twee jaar aan het centrale gezag totdat hij, uiteraard na verraad, in de kraag werd gevat. Hij werd voorgeleid aan de prefect van de Pretoriaanse garde. Als plaatsvervanger van de keizer had deze prefect de hoogste strafrechtelijke jurisdictie in het rijk. Op dat moment was het niemand minder dan de beroemde jurist Aemilius Papinianus. Hij vroeg aan Bulla waarom hij bandiet was geworden. En Bulla moet toen de brutale wedervraag hebben gesteld waarom Papinianus prefect was. Het werd een veroordeling en een enkele reis naar de wilde dieren voor Bulla.

Het verhaal is opgetekend door Cassius Dio (77,10), een geschiedschrijver uit de senatoriale partij die zo zijn eigen bedoelingen had. Het haakt aan bij bekende thema’s: de rechtvaardige lokale bandiet en volksheld tart het uitbuitende centrale gezag van de afwezige keizer die niet in staat is om zich te laten gelden en daardoor aan autoriteit inboet. Ongetwijfeld is het verhaal geromantiseerd. En het is veelzeggend dat Cassius Dio het verhaal laat eindigen aan het gerechtshof van Papinianus. Want het was wel een goede retorische vraag die Bulla stelde.

Na een periode van burgeroorlog had keizer Septimius Severus de macht gegrepen en zijn eigen familie in het zadel geholpen. Zijn vriend en neef Plautianus maakte hij prefect. Toen deze te machtig werd naar de zin van de keizerin, werd hij vermoord en vervangen door een andere vriend van Severus, met wie de keizer nog rechten had gestudeerd en die wellicht ook een familielid was van de keizerin. Zo was Papinianus dus prefect geworden, na een carrière in de bureaucratie en de adviespraktijk. Om in de slangenkuil van het keizerlijk hof te overleven op die belangrijke post, moet de jurist ook een behendig politicus zijn geweest. Hij zal de bijzitters in zijn gerechtshof in beide kunsten hebben getraind, waaronder juristen als Paulus en Ulpianus. Maar politieke behendigheid noch connecties konden Papinianus redden na de dood van Severus. Diens zoon Caracalla greep in 212 de macht door zijn broer en medekeizer Geta te vermoorden. Ook Papinianus werd vermoord, volgens de verhalen omdat hij de broedermoord niet wilde vergoelijken. De onthoofding van de standvastige jurist Papinianus heeft veel kunstenaars geïnspireerd in de loop der eeuwen.

De moord op de zoveelste prefect maakte echter alleen indruk omdat Papinianus beroemder was als jurist dan als politicus, in zijn eigen tijd en lang daarna. Zijn oeuvre is voor zover we weten betrekkelijk klein: adviezen, moeilijke gevallen uit zijn adviespraktijk en uit zijn hof, definities, handboeken over echtbreuk en publieke werken. Toch heeft het een enorme impact gehad. In de zesde eeuw schatte Justinianus hem hoger dan alle anderen. Gevorderde rechtenstudenten werden ‘Papinianisten’ genoemd omdat zij zich bezig mochten houden met de moeilijke problemen die uit de geschriften van Papinianus door een speciale commissie geselecteerd waren voor opname in de Digesten. Tien eeuwen later vond de humanist Cujas dat er in het verleden of in de toekomst geen jurist zo groot was als Papinianus. Vanwaar die lof? Mommsen roemde hem om zijn juridische genialiteit en zijn gevoel voor recht en zedelijkheid. Het eerste heeft iets te maken met ‘Papinianismus’: het vermogen om alle details en afleiders uit een casus te benen totdat een zuivere rechtsvraag overblijft, die dan met een spitsvondige en abstracte formulering wordt beslist. Het tweede is een kwestie van smaak en kan het beste worden geïllustreerd met een citaat (Dig. 28,7,17). Na een zuiver juridische beslissing over een probleem van ongeldige potestatieve erfstelling in een testament geeft Papinianus als argument: ‘… want aan te nemen is, dat wij geen handelingen kunnen verrichten die ons plichtsbesef, onze reputatie of ons schaamtegevoel aantasten en die, zo zeg ik algemeen, tegen de goede zeden ingaan’. Dat tekent wel de man.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2021.