Een zesde van de teksten in de Digesten is van de hand van Julius Paulus. Volgens de telling van Puchta, een negentiende-eeuwse vorser van de destijds in Duitsland geldende Digesten, zijn het er maar liefst 2080. Over zijn persoon, familie en afkomst weten we heel weinig. Daarbij is zijn veel voorkomende naam niet behulpzaam: Julius Paulus zou nu Willem Jansen heten. Paulus leefde tussen grofweg 160 en 225. Hij werkte in dezelfde kringen als Papinianus en Ulpianus en vervulde net als zij hoge functies in de keizerlijke kanselarij. Zo stond hij keizer Septimius Severus bij als deze rechtszaken besliste. Elsemieke Daalder wijdde haar proefschrift aan deze rechtszaken, die we kennen uit twee boeken van Paulus.

Paulus schreef naast deze twee werken nog vele andere over werkelijk van alles en nog wat, van overspel tot verjaring, van de status van senaatsbesluiten tot bezit. Hij staat bekend als de productiefste van alle juristen, of – negatiever verwoord – als een veelschrijver. Zoals dat ook heden ten dage wel gaat met succesvolle mensen die veel tot stand brengen, heeft Paulus niet louter lof geoogst, maar ook stevige kritiek te verduren gekregen. De beroemdste en felste kritiek op Paulus kwam in de negentiende eeuw van Jhering. In een aan bezit gewijde monografie noemde hij Paulus een woeste fanatiekeling in het construeren, wiens aard hem dreef tot resultaten die de vraag rechtvaardigden of Paulus ze nog wel helemaal op een rijtje had. Paulus was in de ogen van Jhering de geestelijk vader van een over-dogmatische, wereldvreemde beoefening van het recht die in Jherings dagen in zwang was en die hij misprijzend Begriffsjurisprudenz noemde. Wat voor Paulus’ populariteit niet meehielp, was dat hij puntig formuleerde. Soms is het daarom gissen naar de redenen voor zijn doorgaans stellig verwoorde opvattingen, Paulus zou daardoor een duistere jurist zijn geweest.

Dat neemt niet weg dat zijn naam en faam groot waren, en dat Paulus altijd verdedigers heeft gehad. De grote zestiende-eeuwse Franse geleerde Cujas becommentarieerde grote delen van Paulus’ werk, en niemand minder dan Cornelis van Bynkershoek, in de zeventiende eeuw een Hollandse opperrechter, nam het voor hem op. Paulus had een grote invloed op het Romeinse bezitsbegrip (possessio), vooral door hem ontleed in een feitelijk aspect (de heerschappij, het corpus) en een geestelijk aspect (de wil voor jezelf te houden, de animus). De eerste drieëntwintig teksten in de titel over verkrijging en verlies van bezit in de Digesten zijn allemaal van Paulus. Hij staat zo aan de wieg van ons artikel 3:107 BW, dat eenzelfde definitie van bezit geeft. In de wetsgeschiedenis was weliswaar gesuggereerd afscheid te nemen van deze aan het Romeinse recht ontleende ‘constructie’, maar de wetgever handhaafde dit Romeinse grondbegrip.

Paulus mag her en der wat beknopt geformuleerd hebben, daarin ligt tegelijkertijd de aantrekkingskracht van veel van zijn werk: het zet aan tot denken, méé en tegen. Zo is zijn omschrijving van een schat als geld dat zolang verborgen was dat het geen eigenaar meer heeft (D. 41,1,31,1) wat kort door de bocht: een schat is zolang verborgen geweest dat hij door vererving juist heel veel eigenaren heeft. Zoveel eigenaren dat de zaak lijkt op een res nullius: de groep van eigenaren is simpelweg niet meer vast te stellen, zodat hun belang verwaarloosbaar is. Paulus koos zijn voorbeelden bovendien goed, zodat ze beklijven. Zo is de discussie over het nutsvereiste bij erfdienstbaarheden – de regel dat een erfdienstbaarheid tot voordeel van het heersende erf moet strekken en niet tot voordeel van de persoon die dat erf heeft – eeuwenlang gedomineerd door een tekst van Paulus die stelde dat een picknick-, druivenpluk- of wandel-servituut niet mogelijk is (D. 8,1,19). Van de Franse schrijver Stendhal is bekend dat hij tijdens het schrijven aan een roman dagelijks een stukje las in de Code civil ‘pour prendre le ton’. Het gaat wellicht wat ver om dagelijks een Paulustekst voor te schrijven, maar er zijn er genoeg voor de hele rechtenstudie, je krijgt er niks van en je raakt zeker geïnspireerd door de juridische geest van Julius Paulus Prudentissimus (CJ. 5,4,6).

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi oktober 2021.